Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a bitHcule, — de por te, schommelstoel (trémoussoir); — (a la) Yoltaire, groote stoel met omgebogen leuning; — d'orrliestre, plaats in het parterre, bij het orchest (in den schouwburg); oceuper Ie —, tenir Ie -, het presidentschap vervullen, den voorzittersstoel innemen; porter qn. au —, iem. tot president benoemen; — acadéiiiique, — d'aeadéinirien, lidmaatschap der Académie Francaise.

Iauteur, m. trice, f. (lat. fautor; de favere, favoriser) begunstiger, begunstigster, begaat*""' a' ^ie misslagen

Ffllive. a. vanlrnnH moonVitii». kAï,.^

j .. . —, "—, .«ouvuufj, iinrn —n ,

rood wild, als herten, reeën, enz.; Ie — het rood wild; vaalroode kleur; Ie» grand* —s.

, . vciacueurenae aieren van bruin

ricui \iccuwen, tijgers enz.).

FttllioJkii r.i

- Ui. » uaii uuuc ua, III.

rauvette, f. bastaurdnachtegaal, m.; grasniusr.h. v ' °

FttllX. f. (\nt. fn 1 v\ »oio trxny \ „

y - - \ yyjiu to inaaicin, V.

faux, tauftse, a. (lat. falsus; de fallere, tromper) valsch; nagemaakt, vervalscht; — uhh, misstan. m- — nHv \ ..j.. * '

Ti —\ «t —,uuv. ten

onrechte, valsch; purter a —, geen steun ge-

nfiurf haKhnn • I I. - ~ „ 1 i _

..v.v.0 ,.ö. vaia -ne gronaen oerusten;

ehauter —, valsch zingen; raisonner —, niet

mist. rpHpnfPfPii • fkIlux ;» : » J .

V . v,wm ■■■■«■ «« —, een inisbuip uoen;

laire une course a —, een vergeefschen gang

—, ui. net vüiscne, onware; vaiscne, on-

' ' - ■».uvuu, uunoic, V.IISÜUC. OH-

zuivere toon, m.; vervalsching, v. (in geschrifte b.v.1: vervalscht «rtibol. «T.

. oiHSMiic rn van

vervalsching beschuldigen, voor valsch verkla-

■ ujjm»uicm Legen; eire cuil*

daiiiiie puur —, veroordeeld zijn wegens valsch-

heid in trp.sr.hriftP

N.B. Zonder tiret met faux samengestelde

Vi men uij net zenst. naamwoord,

l AUX-boiirdon, m. eentonig gezang van ver-

»v.u».v.wuv. oiciiinicii, eenvormig muziekstuk: psalmgezang; hommel, v.; —-eoupou coup*—, m. slag of stoot, die niet geraakt heeft, m.; —fuyant, m. uitvlucht, v.; valsch voorwendsel.

- ■■ >» . nc B r»ci uif.

faveur, f. (lat. favor; de favere, étreproP.ice) gunst; genegenheid, beleefdheid, v.; aanzien, gezag, krediet; lint; pl. gunstbetuigingen,

V.; oi endrp — h?ivnl vinHun. . i? ® _ ?

j ' —J*~* ui inaiig ftuilldlj

"u" ''V ten ^este' ten gunste van, ter

1 . , ' " ~~ ur-"» onaer Degunstiging, met hulpe van...; billet de — vrijbiljet; entree de —.vrije toegang (tot alle voorstellingen); tour de —, opvoering bij gunst van een stuk voor andere.

fravo||rable, a. gunstig, genegen; —rableinent, adv. gunstig,goedgunstig; -ri, ite, a. geliefd, lievelings ...; poête —, lievelingsdichter; m' gunsteling, lieveling, gunstelinge;

— uhNculape, bekwaam arts; — ri», m. pl. bakkebaarden; —ris cótelette. Engelsche bakkebaard; — riser, v. a. <lat. favor, faveur) begunstigen; — ritisuie, m. stelsel of misbruik van t bevorderen der gunstelingen.

I'ut m nnnophi-niiiiu»

Fayenee, zie Faïence.

Féable, a. getrouw.

m* erfleengoed; erfleenverdrag.

real, ale, a. getrouw; m. getrouwe, ebrjllcitaiit, ante, a. koortsig, met de koorts gekweld; m. et f. koortslijder, -lijderes; — l'uffe a. et m. (lat. f eb ris, flévre; fugare, mettre en luite) koortsverdrijvend (middel); —Ie, a.

(lat. febrilis; de febris, fièvre) koortsig; fls? heftig, opgewonden.

Feral, e, a. f. niaticre —e, menschendrek. m., uitwerpselen.

Fécer, v. n. zakken, droesem maken.

r eee», f. pl. (lat. faeces, pl. de faex) neerzaksel ; droesem, m.; uitwerpselen.

reeial, in. veldpriester (bij de Romeinen), heraut van vrede en oorlog; a. tot de wapenherauten behoorend.

Fécit, m. (lat. fecit, hij heeft gemaakt), opgave, v. van den naam des kunstenaars op een, .Pl^t, beeld of schilderij.

Féconld, ondr (pr.kon),a.(lat. fecundus) vruchtbaar; vruchtbaar makend; — <lniit. «e a

vriiP.ht.hnnrmabörirl i. J..

r:r wYiuuncnuj — uniion, i.

vruchtbaarmaking, v.; —der, v. a. vruchtbaar maken, bevruchten; -dité, f. vruchtbaarheid, v.

rrrui|lr,f. droesem, in.; zetmeel, stijfselmeel • —lence, f. aanzetsel, drabbig bezinksel; — lenl enle. a. zetmeel bevattend; dik, drabbig, onklaar; m. zetmeelachtige stof, v.; -lerir, f. zetmeelfabriek, v.; -leux, euse, a. zetmeel bevattend; lier, — liste, m. zetmeelbereider. -fabrikant.

Fédéllral. Ie, a. (lat. foe dus, fee de ris, alliance) bondgenootschappelijk; -rali»er, v. a. het stelsel van federalismus of bondgenootschap invoeren ; -ralisme, m. (rad. fédéral) stelsel van bondgenootschap of federalismus; — raliste, *Ajaian^an^er van federalismus, federalist; federal) verbinding, v.; verbond; —ré, e, a. verbonden; m. verbondene; —rer, v. a. een bondgenootschap maken; se -, v. n. zich tot een bond vormen.

~',Te' a- vei'bonden: - radon. f. (rad.

ree, f. (lat. fata, sorciére) toovergodin, fee, v.; Vleille —- — _/ L® . '

. ... ' /"voov, —r;vam»uBsr, leeniK

i oude, leelijke heks; —, a. betooverd. tee||rie, f. tooverkunst, betoovering, v.; tooverk ur.ht.nnAl • .1 u?:_ ' j

a. twuveiaciitiir, op ue

wijze der feeën.

rein||dre, v. a. (lat. fingere) veinzen, voorgeven; verdichten, verzinnen; v. n. aarzelen, schuwen! ppn woini» i.ini>an.

—, —. uiHRoii, nr —, v. ur. geveinsd, voorgewend worden; zich uitgeven voor .... zich voordoen als...; -t, einte, a. geveinsd, voorgewend, verdicht: valsch; —te, f. veinzintr: lint., v • ln^a m i_'j .

, , . .j obiccn., in., geveiusue

beweging, v. (in het schermen); zekere rede-

"ö"», » waaiuij ue reaenaar veinst eene zaak te willen verzwijgen en ze toch zegt; met een

nalvan t.nnn uorlmnirHo ' a

.... «ciiaague iiuui, v.iin

u0 uiuziek); f—tlse, f. veinzerij, ontveinzing, v. Irlntier, m. glasblazer.

I"cldijapittli, m. veldspaath; —spnthiuup. a. veldspaath bevattend.

r«le, f. blaaspijp der glasblazers, v. ï®),?:ln"r«l,«l(Pr.fe|deJ,m. veldmaarschalk.

ri> ll>. n l>t a »aK»Mtnn V. I. ...

5v,uaioiou, ncsuiieuru II TUI I li1 rpri PMii lo <!.»!.•■« c.e

u - ü I , ,i .. »■■■■■»■ ® f "g. lam. mei wei

bij het hoofd zijn; e'est un pot —, het is een broos vat (ziekelijk mensch); —Ier, v. a. doen barsten of scheuren; ae —, v. pr. barsten, splijten.

i„. uicuter m i frovencaaiscii:

— nriB'P rn ounAn(o/.Kon Jn. n ' i . i ..

dichters — ugi ri-uveu^aaisciic

Féliei||tatioii, f. gelukwensching, v.; gelukwensch, heilwensch, m.; -té, f.(lat. felicitas) gelukzaligheid, v.; -ter, v. a. qn. de (sur) geluk wenschen; feliciteeren; se —, v. pr. elkander gelukwenschen; se — (de ueli.l, zich verblijden (over iets).

Sluiten