Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

célèbre par les chansons de geste) fam. opsnijder. zwetser, windbuil; pl. de» iler-a-bras.

Hcrriiient, adv. op trotsche, stoute, fiere wijze; buitengewoon, kras; — dessiné, kloek, krachtvol geteekend.

Fiérot, o(t)te, a. belachelijk trotsch.

Fierte, f. (lat. feretrum) relequieënkast, v. Fierté, f. (rad. fier) trotschheid, fierheid; moedigheid (der paarden), v.

Ficvre, f. (lat. febris) koorts, v.; un acces ,j4. een aanval van koorts; — quotidieime, lierce, nuarte, alledaagsche. anderendaagsche, derdedaagsche koorts; — continue, intermittente, aanhoudende, tusschenpoozende koorts;

- bilieuwe, galkoorts; — putride, rotkoorts;

- ephémére, koorts die maar eens komt en een etmaal duurt; — de lait, zogkoorts;

- scarlatine, scharlakenkoorts; le fort de la —, de crisis; le déclin de la —, het afnemen van de koorts; la — l*a quitté, de koorts is weggebleven; la — l'a repris, de koorts is ufirubnm»»' tiniv. tniiihcr de — en cliaud

mal, prov. van den wal in de sloot vallen; ccla doiiiie la —, dat maakt iemand zenuw¬

achtig. . ,

Fieflvreux, euse, a. koortsig; koortsverwekkend; m. et f. koortslijder(es); — vrotte, f. kleine koorts, v. ...... ,

Filt, m. karnaval-kostuum; —, m. Mille, 1. liefje, kleintje.

Fijjfre, m. (all. pfeife, siftlet) klein dwarsfluitje; pijper; —frer, v. n. pijpen; v. a. met de dwarsfluit accompagneeren, aankondigen.

Figaro, m. (personnage du Barbier de Séville, de Beaumarchais) barbier, friseur.

Fi 1 gé, ée, a. gestremd, stijf, verstijfd; —ge■iiPiit. m. stremming, v.; — ger, v. a. (lat.

figere) doen stremmen; se —, v. pr. stremmen, stollen, dik worden.

Figiio||ler, v. n. fam. willen uitsteken door taal of manieren; v. a. met te groote nauwgezetheid uitvoeren; —leur, m. pronker.

■.'Siioiia f /hit fi/rnsl viiff. v.: inoitic —.

moitié raisin. half willens, half onwillens; halt goed half slecht; lalre la — a qn., iemand bespotten (door een gebaar, oorspronkelijk dooien Hnim tiicvjchpn wiis- en middelvinger te

steken); — fleur, f. vroege vijg, v.; -guerie. f. vijgeboomgaard, m.; -guier, m. vijgeboom, m.; — d'Adam, banaan.

Hgullliii, e, a. wat zich laat kneden en vormen; terre —iine, pottenbakkersaarde; — line, f v.intwpi'1/ aardewerk van terra-cotta.

t'iguilrabilitr, f. de eigenschap aller lichamen, van eene gedaante te hebben, hunne vormvatliaarheid, v.; —riible, a. vatbaar om eene gedtnitp aan tp nemen: —mnt. ante. a. als svmbool

dienend; m. et f. figurant, liguraote (coinparne): -ratil', ive, a. verbeeldend,symbolisch; plan —, platte grond; (leltre)-ive, f. karakteristieke letter (van werkw.); —ration, f. voorstelling in IumjM v Hp £n>7.»nip.nliike fiifuranten: -rati-

vement, adv. op eene verbeeldende, symbolische wijze; — re, f.(lat. figura; de fingere, former) verbeelding, v.; beeld, afbeeldsel, figuur; gestalte, houding, v.; prov. faire —, in aanzien zijn, een goed figuur maken: pop. — de rainpagne, achterwerk: —, rhetorisch beeld, beeldspraak; quittons la —! laten we ronduit spreken: —ré, ée, p.eta. verbeeldend, afgebeeld, figuurlijk; sens —, ou — m fiwnni-liikft heteekenis. zin: — rémeiit.

adv. oneigenlijk, figuurlijk; —rer, v. a. afbeelden, verbeelden; voorstellen; —, v. n. op een'goeden

of kwaden voet met elkander staan; veel vertooning maken; figurant zijn, iigureeren; — sur iine liste, op eene lijst staan; se —, v. pr. zich verbeelden of voorstellen; —rine, f. (dimin. de fig ure) klein beeldje, figuurtje, nevenbeeldje, bij landschappen in 't verschiet (op eene schilderij); —risme, m. figurisme, stelsel van de gebeurtenissen van 't Oude Testament als figuren van 't Nieuwe te beschouwen; — riste, m. die alle gebeurtenissen van het oude Testament voor zinnebeelden op het nieuwe houdt,

figurist; vervaardiger van pleisterDeeiajes.

FÜ, m. (lat. filum) draad, m.; garen; snoer; vloed of stroom (van het water), m.; draad scherpte of sneè (van een mes), v.; draad (van hout, van vleesch); vervolg(eener rede); pelote (je kluwen garen; — a eoudre, naaigaren; —s d'araignées, spinnewebdraden; — d'arehal, ij zerdraad; — a plonib, schietlood; —a ravauder. stopgaren; — de sayette, sajetgaren; — grot*, pikdraad; — de earet, schiemansgaren, kabelgaren; — a marqiier, garenmerk, dat men op een touw zet; — a gargousse, kardoesgaren; — en trois,en<|uatre,driedraadsch,

vieruraaascn garen; uu — ten ïrui». «*u quatre. en six), du — de Ier, sterke brandewijn; donner du — a retordre, fam. veel te doen geven, verdriet veroorzaken; de — en aiguille, van het begin tot het einde, haarfijn, in alle bijzonderheden; fig. fam. finesse, maliee cousue de — blane, lomp verzonnen kunstgreep, list; kunstgreep, list die bij den eersten opslag ontdekt wordt: — s de la Yierge. herfstdraden, m.; vliegend spinnenweefsel; de droit —, lijnrecht; lig. II va de droit —, hij gaat recht door zee; c'est lui nui tient les —s, hij houdt het heft in handen (eig. hij houdt de draden der marionetten); le — d'uii couteau, d'une épée, de snede, het scherp van een mes, een degen; passer au — de

1 cpce, over ue kum_ jagen, uuuurr ie — «i uu

rasoir. een scheermes slijpen; ce couteau a le —, dit mes is geslepen, scherp: lig. avoir le —, listig, geslepen zijn; lig. une langue qui a le

—, ecll Olilicipc " — uiirnii,utouwuiu,

fig. aller contre le — de l'eau, tegen den stroom op roeien, zwemmen; le — du bol», de draad van 't hout; en travers du —,

tegen den draad in: dans le —, met den draad mee; le — du discours, de draad, de loop van 't gesprek; perdre le —. den draad zijner gedachten verliezen, in de war

Filadière, f. platte schuit, praam, v.

Filallge, m het spinnen; spinloon; —gore, f. worgdraad, tot het maken der vuurpijlen, m.; —gramme, m. teekeningen in het papier, v.; watermerk.

Filaire. i. uraauvormig wormpje.

Fiiaijuieiit, m. (rad. fil) vezeltje, draadje; —meiiteux, euse, a. vezelachtig, dradig.

Filanildier, icre, a. spinnend; les trois sieurs — diéres, de drie schikgodinnen, de spinzusters; —diere, f. spinster, v.; —dres, f. pl. herfst- of zomerdraden; draden in het vleesch, m.; witte striemen in de wonden der paarden, v.: wier- of zeegras; wormpjes bij de valken; — dreux, euse, a. dradig; fig. langdradig, verward.

Filant, te, a. dikvloeiend (als olie, stroop enz.); ctoile —te, vallende ster.

Filardeau, m. bakvisch; kleine baksnoek, m.;

jonge hooge boom, m.

Sluiten