Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Foetus, Fétus (pr. fé-tuce), m. (mot lat.) lichaamsvracht, v.

Föhn, m. heete zuid-oostenwind, m.

Foi, f. (lat. fides, engagement, lien) geloof; trouw, toezegging, v.; woord; bevestiging, v.; frtire — de, getuigen, bevestigen; digne de —, geloofwaardig; préter — a, «jouler — a, geloof slaan aan; cela est de —, dat is eene geloofszaak; garder sa foi, zijn woord houden; — et hommage, leeneed, m. n'avoir ui — ui lui, van God noch gebod weten; en bomte —, adv. ter goeder trouw; de boiine —, adv. oprecht, in waarheid, ter goeder trouw; ma —, int. waarachtig, waarlijk, op mijn woord; par ma —, int. op mijn eer; — de..., op mijn woord van ...; en — de quoi, tot bevestiging van, ten oorkonde van.

Foie, m. lever, v.; — de soufre, zwaveliuvf»r • — m ur:iM vp.t.te o-anzelevers: oaté de

- d'oies, de — gras, ganzeleverpastei; liuile de — de niorue, levertraan.

Foin, m. (lat. fcenum) hooi; il a du — dans Mes hottes, hij zit er warmpjes in; il est béte a maiiger du —, hij is aartsdom; faire ses —s, voordeel behalen; —, interj. — de lui, weg met hem!

Foinette, f. tweetandige hooivork, v.

Foire, f. (lat. feria, jour férié) jaarmarkt, ï/Mi-mic v- fi<r. fsim. I» — n'est nas sur le

pont, we hebben allen tijd, er is volstrekt geen haast; la — de Francfort, de Frankforter mis.

Foi||re, f. (lat. foria) bas. buikloop, m.; —rer, v. n. bas, aan den afgang zijn, buikloop hebben; — reux, se, a. loslijvig; fig. bleek;

m p-t. f. ln«liivi</ft.

I'ois, f. (lat. vices, tours, changements) maal, reis, v.; keer, m.; a la —, adv. tegelijk, op eenmaal; de —, de — a autre, adv. somtijds; ii'en pas faire a deux—, niet weifelen; y regarder n deux —, aarzelen.

Foï||son, f. overvloed, m.; a —, adv. fam. in overvloed; — sonneuieiit, m. het in overvloed aanwezig zijn, de overvloed; opzwelling, rijzing, v,; —soutier, v.n. overvloed hebben; in overvloed aanwezig zijn; zich sterk vermeerderen; cliertè l'oisomie, waar de waren duur zijn, wordt de productie groot.

I'nl. zift Kim.

FohVtre, a. (rad. fol) dartel, uitgelaten, vroolijk, kluchtig; —treinent, adv. op eene hnArtpnrltt wii7.p.: —trer. v.n. dartelen.

stoeien, kortswijlen, boerten; —trerie, f. klucht, snakerij, v.

Folette, f. kleine, overdekte rivierschuit, v.

Foli ace, ée, a. (lat. folium, feuille) bladerig; gebladerd; bladaardig, van de soort deibladeren; —aire, a. tot het blad behoorend; —ation, f. het uitloopen, uitbotting; bladschieting; verzameling der bladeren van den bloemkelk, v.

Foli||clion, omie, a. fam. dartel, vroolijk; —clioiuicr, v. n. fam. vroolijk, dartel zijn.

Folie. f. (rad. fol) krankzinnigheid, zinne¬

loosheid; dwaasheid, zotheid, v.; waanzin, m.; a la —, adv. smoorlijk, tot gek wordens toe; —s, dwaasheden, dwaze streken.

Folie, ée, a. gebladerd; bladerig.

Foliette, f. tleschje.

Folio, m. (lat. folium, feuille) bladsgrootte, v.; folio; cijfer boven elke pagina; — recto, — verst», eerste, tweede zijde van 't blad; un in —, een boek in folio, een foliant, m.

valkhoff, Frang.-lloll. i.

Folioi|laire, a. de bladeren betreffend; —le, f. blaadje.

Foliot, m. onrust in een horloge, v.; gedeelte van een slot.

Folio||tage, m. het folieeren; —ter, v. a. de bladen van een koopmansboek met volgnummers teekenen, folieeren.

Folketliing, m. nationale vertegenwoordiging in Denemarken, v.

Folie, f. korre, v.; kornet; net met wijde mazen om roggen en schildpadden te vaneen; steenklomp in een steenkoolmijn, m.; zieook Fou.

Folle-avoine, f. wilde haver, v.

Folle-farine, f. fijnste bloem van meel, v.; stuifmeel.

Folleinent, adv. op eene zotte, dwaze wijze.

Follet, ette, a. kortswijlig, vol grappen, kinderachtig; poil —, vlasbaard, m.; feu —, dwaallichtje; esprit —, nachtgeest, kwelgeest, plaaggeest, m.

I.'.*11 s:i I a m /lot fr. 11 i r 11 1 i» in • rip.

folium, feuille) schimpnaam voor dagbladschrijvers; —le, f. (ou m.) vliesje, waarin het zaad (der bloemen) besloten is; galblaasje; —leux, euse, a. blaarachtig.

Foiiieiita||teur, trice, a. opruiend, onruststokend; m. et f. onruststoker; onruststookster; —tif, ive, a. stovend, koesterend; onderhoudend, aanstokend; — tion, f. stoking, v.; fig. la — des troubles, de begunstigfng, aanstoking der onlusten.

Fonienter, v. n. (lat. fomentare; de faver e, réchauffer) stoven, pappen met warme omslagen; fig. onderhouden, aanstoken, aanblazen.

ron^age, m. inslaan, inheien van paien.

Fon^ailles, f. pl. onderlagen eener bed-

Foncé, ée, a. schatrijk; zeer bekwaam in eene kunst of wetenschap; donker (van kleuren sprekend); bleu —, donker blauw.

Foncée, f. leigroeve, v.

Fon||cer, v. a. een bodem inzetten; uithollen, dieper maken; — une couleur, eene kleur donkerder maken; — a l'appointement, geld schieten; — sur qu., qch., losstormen op iem., iets; —eet, m. schuit^ praam; voorplaat van een slot, v.; —eier, ière, a. (rad. fonds) tot den grond of eigendom behoorend: grondig; rente — ière, grondrente, v.; propriétaire —, grondeigenaar; crédit —, grondcrediet; —ciérenient, adv. grondig; in den grond.

r on$oir, m. Kapoeuei, m.

Fonctio n, f. (lat. functio; de fungor, je m'acquitte) bediening (van een ambt), bezigheid; functie, v.; —s, pl. natuurlijke werkingen, v.; — s publinues, openbare ambten; —s lionoriüuues, eereambten; faire — de, den dienst doen van, werken als; — nnaire, m. ambtenaar; —nnant,e,a.werkzaam,in werking;—iinarisme, m. bureaucratie, v.; — niiel, elle, a. de levensverrichtingen betreffend; — iinement, m. het werken, het in werking zijn; de werking; — nner. v. n. zijne werking doen, zijn dienst doen (van lichaamsdeelen); l'estoinac fonetionne bien, de maag verteert de spijzen goed.

Fond, m.(lat.fundus, creux)grond, bodem, m.; un abiuie sans —, een bodemloozeafgrond;

ie — U Uil laoieau, ue uuntcigiuuu Yau oen schilderstuk; le — d'une fliaise, de zitting van een stoel; velours a — d'or. ilnweel met gouden grond; le — d'un toiineaii, het onderste van oen vat; au — «Ie la forM, in het diepst

19

Sluiten