Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GAR

se garnit de spectateurs, de zaal vult zich met toeschouwers; 8e — de <ich., zich van iets voorzien; ae — contre qch., zich tegen iets behoeden.

Gariii||saire (pr. zaire), m. soldaat, die bij een achterstalligen belastingschuldige wordt ingelegerd; —wou, f. bezetting (van krijgsvolk), v.;garnizoen; soldaten ingekwartierd bij achterstallige belastingbetalers; — soimaire. m. soldaat, die bij een' achterstalligen belastingschuldige ingelegerd wordt (garniaaire); -naage, m. het toerusten, stofTeeren, versieren; —sseur, m. euse, f. stoffeerder (van hoeden enz.); —(ure! f. stoflfeering, v., garnituur; versiering, v.; stel (op den schoorsteenmantel), haardstel enz.; formaatwit tot scheiding en aanvulling der bladzijden (bij het drukken); behangsel (van een ledekant); beslag.

Garou, m. daphne, peperboompje (bol» gen<11 >; zie ook Loup.

Garro||t, m. schoft (van een paard), v.; fpijl van een handboog; spanstok (om touwen stijf aan te halen), knevel; zadelboog, m.; suppliee du —, verworging met den knevel; —ttage, m. het knevelen, binden met touwen; —ite, f. (rad. garrot) verworgingswijze met den knevel (in Spanje en Portugal), v.; — tleur. m. knevelaar; —tter, v. a. (rad. garrot) sterk binden, knevelen; fig. fam. - qn., iemand de handen binden.

Garrulité, f. snapachtigheid, babbelzucht, v.

(«ara, m. (pr. ga), pop. gat*, fam. jongen, knaap. J ° '

Gamin. m. piquante vischsaus, v.

Garus (pr. ure), m. elixir de -, zeker maagehxer.

Gascoljn, onue, a. van of uit Gascogne: fig. zwetsend; m. et f. Gascoguer, Gasconsche vrouw; m. het Gasconsch; lig. zwetser, grootspre^er5 —nisme, m. Gasconsche spreekwijs, v.; — imade, f. snorkerij, v.; gezwets; -mier, v. n. Gasconsch spreken; fam. zwetsen, grootspreken.

Gaspilllage, m. verkwisting, v.; —Ier, v. a. verkwisten, verdoen, nutteloos verteren enz.; —leur, m. euse, f. verkwister, opmaker; verkwistster, opmaakster.

Gaster, (pr. tére), m. (m. lat. et gr.) buik, m.; onderlijf; maag, v.

Gastéropodes, m. pr. (gr. gas tér, ventre; pous, podos, pied) buikkruipers, buikvoeters, m. (zekere weekdieren).

Gastralgie, f. (gr. gaster, estomac; algos, douleur) maag- en buikkramp, v.; — gioue. a. tot kramp-en buikpijn behoorend.

Gastri||cité, f. begin van maagontsteking; —eole, a. in de maag der dieren levend; —que, a. (gr. gas tér, gastros, ventre) tot de maag behoorend; sue, liqueur —que, maagsap; —sine, m. overlading van de maag; —te, f. mapgontsteking, v.

Gastrocéle, f. darmbreuk, v.

GaHtro-enterite, f. maag- en darmontsteking, v.

Gastro ||IAtre, m. (gr. gastêr, ventre; lat reu o, j adore) buikdienaar; -lAtrie, f. yerlekkerdheid op eten, buikdienst; -logie, f. kookkunst, v.; —nome, m. (gr. gastêr, gastros, ventre; nomos, loi) fijnproever, smulbroer; —notiiie, f. kennis van lekker eten en drinken, v.; —nomiqiie, a. tot de kunst van lekker eten en drinken behoorend; -raphie, f. buiknaad, m.; — toiuie, f. buiksnijding, keizersnede, v.

GAt, m. trap, die men aan steile oevers gebruikt, v.

Gateau. m. koek, m.; — des Rois, Driekoningenkook (waarin een boon gebakken wordt en die den avond vóór Driekoningendag gegeten wordt); fig. la part du —, het deel van de winstfig. avoir part au —. partagcr Ie —, fam. den buit of de winst deelen; —, suikergebakgehakt van wildbraad; sneetje koek, koekje— de miel, honigraat; — de cliarpis, breedê wiek pluksel; pére —, papa —. vader die zijne kinderen bederft; —x a l'huile, a Peau, koekjes, stukjes of blokjes olie- of waterverf.

Gatel-boiw, m. houtbederver, slecht timmerman of schrijnwerker; houtworm; —cuir, m. slechte schoenmaker; —enfant, m. et f. kinderbederver,-bederfster;—tiiaison,—ménage, m. al te trouwe knecht, die de uitgaven in een huishouden doet verminderen; —métier, ni. loonbederver, prijsbederver; —-papier, m. papierbekladder, prulschrijver; —pate, m. slecht bakker; slecht metselaar.

GAter, v.a. (lat. vastare, ravager) bederven: vernielen; bekladden; fig. bederven, schenden; verleiden, erger maken; tig. - Ie métier, de klad in 't werk brengen (door voor te lage prijs te werken); we —, v. pr. bederven, bedorven worden; erger worden.

Gaterie, f. het bederven, verwennen.

Gate-sauee. m. et f. slechte kok; slechte keukenmeid; pl. des gate-sauee(s).

Gai'teur, m. bederver; — de papier, papierbederver, prulschrijver; — teux, m. euse. f. zieke of krankzinnige, die zich bevuilt; papierverknoeier; verstompt mensch; —tisme. m. bederf

Gattilier, m. kuischboom, m. (agiius-e ast um).

Gau||eiie, a. linker; fig. krom, ongeschikt, lomp, verkeerd; a droite et a —, naar, van alle kanten: prendre a — et a droite. aan

een ieder geld vragen, overal geld uitslaan; doiuier a —, zich vergissen; zich slecht gedragen; pop. pawser Panne a —, sterven; inariage du cèté —, de la main —, morganatisch huwelijk; étre sur Ie pied —, in verlegenheid zijn; se lever du pied —, met het verkeerde been uit bed stappen; partir du pied —. plotseling vertrekken; —, f. linkerhand. v.; linkerkant, m.; sur la —, a la —. aan de linkerhand: prendre sa —, links afslaan; la — d'un bataillon, de linkervleugel van een bataillon; extréme —, uiterste linkerzijde (in de Kamer); —, m. onhandigheid, v.; — oliement, adv. op eene linksche, onhandige wijze; —cher, ére, a. linksch, die alles met de linkerhand doet; m. iem. die linksch is; afgevaardigde van de linkerzijde; — eherie, f. linkschheid, onhandigheid, v.; domme streek, m.

Gau||cliir, v. n. zich een weinig ter zijde wenden, uitwijken; kromtrekken (van hout); fif?» niet oprecht handelen; —cliiHseinent. m. uitwijking, v.; het kromtrekken (van hout).

Gaude, f. wouw (zekere plant, welke men gebruikt om geel te verven), v.; maïspap.

Gaudéamiis, m. (pr. ure) vroolijk tafelgezang.

Gauder, v. a. (rad. gaude) met wouw verven.

Gaudir (se), v. pr. (lat. gaude re) vroolijk zijn, zich vroolijk maken.

Gaudriole, f. losse scherts, grap, v.

Gauütrage, m. het wateren van stollen; het drukken van figuren op leder enz.; —fre, f. (bas allem. wafel) honigraat; wafel; watering

Sluiten