Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(iingembre, m. (lat. zingiber) gember, v. Uingeole, f. roode borstbezie, v.; kompashuisje.

«iingihrine, f. gemberpoeier.

(.iiigi vul. ale, a. (lat. gingiva, genclve)

tandvleesch j —\lte, f. ontsteking van 't

tandvleesch, v.

I.inglinif ouGinglyine, m.beenderscharnier; nauwe geleding der beenderen, v.

Iiinguer, v. n. springen, dartelen; achteruituitslaan, schoppen.

(iinguet, ette, a. slecht, zwak, gering; —, m. slechte, zwakke wijn; esprit —, style —, lam. bekrompen verstand.

tiinguette, f. wijnhuis.

Ginseng, Uenseng, m. ginseng (zekere versterkende wortel in China), m.

(iiuroso. a. vroolijk, schertsend.

(■iunio (11) (pr. djiorno), loc. adv. zoo licht als de dag, daghelder.

(■ipon, m. smeerborstel, m. der leertouwers. <iipxy (pr. dz|ip»i), m. et f. heiden, zigeuner; heldin, zigeunerin (pl. gipmeM).

Giraf ||le, f. (ar. zorafeh) kameelpardel, girale, V.; — l'enu, m. jong eener giraffe.

Girniillde, f. schoofvormige springfontein; vuurschoof (soort vuurwerk); —dole, f. (lat. gyrus, cercle) kandelaar met verscheidene armen, m.; oorhanger van diamanten, enz.;

viiiirWrans. m.

<iiniMol (pr. sol), m. zonnebloem, v.; opaalsteen, zonnesteen, m.

(üiratoire, a. mouvement —,raderbeweging, v.; raderloop, m.

tiiraumont ou Giraumon, m. eetbare pompoen, kalebas, v.

■ ri<> f huirhplarht.itrf' klacht. V.

fairiki!lip. m. <'l(iu de —. kruidnagel, m.;

Iitiile de —, nagelolie, v.; —flée, f. violier, n:\gelbloem, v.; — jaune, muurbloem, v.; Hg. pop. une — a cinq feuille», een oorveeg (waardoor de vijf vingers een teeken laten op de wang); —Hier, m. kruidnagelboom, m.; violierplant, v.

(■irolle, f. draailing, m. (soort van bladpaddenstoel).

(■icon. m. schoot, m.; breedte der treden

van eene trap, v.; fig. schoot, m.; gemeenschap, v. (der kerk); revenir au — <le IYgli»e, tot den schoot der kerk terug-

keeren.

tïiron 'de, f. gematigde republikeinsche partij, v. tijdens de Fransche revolutie der vorige —din. m. aanhanger der gematigde

republikeinsche partij in de Fransche revolutie.

(■iroiiiier, v. a. ronden, rond maken (bij f/mirffimarienV

Pirouette, f. (lat. gyrare, tourner) weerhaan, windwijzer; vleugel, topstaander (op

si»hpnpr»V m

(iiMHllt. ante, a.liggend; fenétre —e,dwarsvenster.

<üi»ement, m. ligging der zeekusten, v.; ligging, v. (inzonderheid van de grondlagen), (ait (pr. gi), ligt; ei-git, hier ligt; zie <>é»ir. <«i(ano, m. <>itana, f. heiden, zigeuner, heidin (in Spanje).

(■iiltp. m. nar.htverbliif: herberg. waar men

op reis slaapt, v.; leger van een haas; revenir mii —. naar den huiseliiken haard terugkeeren;

il fout attendre Ie» gen» au men moet de menschen in hun eigen huis opwachten;

grondsteen (in een korenmolen), m.; — a la noix, ossestuk, waarin een zenuwknoop (noix); —, ligger, m. ribbe, v.; —, f. plaats waar een gestrand schip ligt, v.; —ter, v. n. fam. overnachten, verblijven; legeren (van dieren); te gronde gaan, zinken (van schepen); v. a. te ruste leggen, doen overnachten; leggen, zetten, fiitli, m. jutfertje-in-'tgroen.

tiivre, m. ijzel, rijp of rijm, m.; slang (in 't wapenschild).

(ülahelle, f. ruimte, v. van de wenkbrauwen, (■labre, a. (lat. glaber) glad, glanzig, zonder haren.

(■laKage, m. het glaceeren; -«»»<, e, a. bevriezend; verstijvend, eene ijskoude rilling verwekkend; -ee, f. (lat. glacies) ijs; spiegelglas; spiegel, m.; glazen raampje (in een voertuig); roomijs, vruchtenijs; ferrer uil eheval a —, een' paard scherp zetten, scherp beslaan; fig. ètre ferrê a — sur une que»tion, volkomen thuis zijn in een onderwerp;

rompre la net ijs oreKen; «>uir un nrui

de —, ongevoelig, zoo koud als ijs zijn; lever, bai»»er Ie» -», het portierraampje opschuiven, neerschuiven; —», pl. kleine vlekken in diamanten, v.; —eé, ée, p. et a. bevroren; blinkend, glimmend (van taf sprekend); fig. ijskoud, ongevoelig; m. glans, m. glazuurt>v.: (gant)—, glacé-handschoen, m.; —eée, f. ijskruid; soort

.. .. / .1 »1 n nn\ Ar\an Viairpi070n •

appei; —icr, v. a. viuu. &

verstijven, ijskoud maken; met glanzig was bestrijken; glanzen, glanzig maken; oversuikeren;

1 1 : /)nn» aan Ir nol

giaa aannaaien, ng. uiotuiiwicu uwi aw.

gedrag; doen ijzen; v. n. et se —, v. pr. bevriezen, ijs worden; — cerie, f. spiegelfabriek, v.; kunst om spiegelglas te maken, v.; bereiding van kunstmatig ijs, v.; —ceur, m. glan-

zer, giaceeraer; -rru», ^u»r, ".

ijskoud; onklaar, wolkig, onzuiver (van edele gesteenten); -claire, a. gletscher...; periode

—, gieiscnerpenuue; — iini, nic, "■ "~'r>

bevrozen; ijskoud; la zone — ale, de bevrozene luchtstreek; mer —ale,ijszee, poolzee; —elale, f. ijskruid; — cier, m. groot ijsveld, gletscher, m.; ijsverkooper; spiegelfabrikant; —fiére, f. ijsberg, m.; ijskelder, m.; fig. zeer koude ka-

z. ... n «iiira frlotcchomnAmnnp*

nier, v.; niinuuuc — ,

—ci», m. schuinte,glooiing, v.; veldborstwering; lichte doorschijnende kleur, die de schilders somtijds over andere heldere kleuren leggen, om

meer glans aan een buuuuwij t.o ».,

naad, waarmede de voering van een kleed met de stol' wordt vast genaaid, m.; —<;oii, m. ijsschots, v.; stuk ijs; la rlvlére cliarrle de»

—», ae nviei muu, niunn ut —r», *j••••»

—cure, f. het overdekken met glazuur, v.

(«ladiateur,m.(lat.gladiator; degladius, glaive) zwaardvechter (bij de Ouden), voorvech¬

ter, Kampvecntei.

(■laïeul, m. (lat. gladiolus, dimin. de gladius, glaive) lischbloem, zwaardlelie, v.

(«lailirp. f. (lat. clarus, claire) slijm; eiwit; —rer, v. a. met eiwit bestrijken: —reux, eu»e, a. slijmig, drabbig; —rure, f. bestrijking met eiwit; laag eiwit.

(■Iai||se, f. (lat. glis, glitis, terre tenace)

(terre) —, mei, potaarae, v.; ieem; -wr, \.».

met Klei, leem ueieggeu, ucii.com,.»,

— »eu\. eu»e, a. klei-, leemachtig; —»iêre, f. leemkuil, m.

<*laive, m. (lat. gladius) fig. zwaard, (■lama, Lama, m. Peruviaansche kameel, lama, m.

Sluiten