is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«olfe, m. (ital. golfo; gr. kol pos, sein, giron) zeeboezem, inham, m.; golf, zeebocht, v.

j-Golllle, f. Spaansche halskraag, m.

(aouiène, f. ankertouw der galeien.

(aomjuiage, m. het gommen; gomming, v.; —me, f. (lat. gummis) gom, v.; la liaute —, de uitgaande modewereld; — elastique, elastieke veerkrachtige gom, v.; —asphalte, f. asphalt; —grattoir, m. gomelastiek; —gut Ie. f. gittegom, v.; — nier, v. a. gommen, met gom bestrijken; — meux, euse, a. gomdragend; gomachtig; —meux, m. modeheertje, modegek; —mier, m. gomboom, m.

Gomphose, f. invoeging of inschieting van het eene been in het andere, v.

Gonagre, f. knie-jicht, v., gonagra.

Gonartlirocace, f. beeneter, m., ontsteking der kniegewrichtsviakten.

Gond, m. ijzeren duim, waarop de hengsels eener deur enz. draaien, m.; fig. Mortir «les —. boos worden, buiten zichzelf van woede geraken; mettre hors des — s, boos, woedend maken.

Gondo||lage, m. het kromtrekken en zwellen van hout door 't vocht; — Ie, f. (ital. gondo la) gondel, v. (zeker vaartuig); langwerpig drinkschaaltje; —Ier, v. n. aan de einden hooger zijn of omhoog gaan (van een schip); kromtrekken, uitzetten (van hout); —lier, m. gondelroeier, gondelier.

Goiifalo||n, Gon Canon. m. kerkbanier, kerkvaan, v.; lansvaantje; —nier, m. kerk vaandrager; gonfaloniere (hoofd van de vroegere Italiaansche republieken).

Goii||flé, ée, a. geswollen; — dement, m.opzwelling^.; —lier, v.a. (lat. conflare, soufller ensemble) opvullen, opblazen; v. n. et se —, v. pr. zwellen, opzwellen; rijzen (van deeg); fig. i eene trotsche houding aannemen.

Gong ou Gong-gong, m. handtrommel of tam-tam der Indiërs en Chineezen.

Gongorisme, m. (de Gongora, auteur esp. 1561 — 1G27) de gemaakte schrijfwijze van den Spaanschen dichter Gongora en zijne navolgers.

G«»nirhon, m. kap op de suikerbrooden, m.

jGonin, m. fam. inaitre —, looze vos, doortrapte vent.

Gonioilinctre, m. (gónia, angle; metron, mesure) hoekmeter; —métrie, f. hoekmeetkunde, goniometrie, v.

Gomie, f. ton voor bier enz. (op schepen), v.

Gonorrliee, f. zaadloop, m., druiper, m.

Gord, (pr. gor), m. fuik, v. (soort van vischnet).

Gordien, (pr. di-in), a. Gordiaansch; iiumkI —, Gordiaansche knocp, m.; traiiclier Ie nu'uri —. den Gordiaanschen knoop doorhakken (door een beslissenden stap eene zwarigheid uit den weg ruimen).

Gore||t, ni. big, zwijntje; fig. smeerpoets; meesterknecht in een schoenmakerswinkel; schrobber (zekere bezem op schepen), m.; —ter, v. a. met den schrobber schoon maken; het schip hoggen, varkenen.

Gorge, f. (lat. gurges,goufTre) keel, v.; strot, gorgel; hals, m.; borst, v., boezem, krop (van vogels); nauwe in- of doorgang, m.; nauwe bergpas, bergkloof; keel (van een bolwerk); holligheid, v.; stok, waaraan men eene landkaart of prent ophangt, m.; He eouper la — avec qn.. met iemand vechten; rire a — «lénloyee, luidkeels lachen; fig. avoir mi mviid « l« —, gedwongen lachen; in angst, verlegenheid zijn; cette ïille a la — belle, dit meisje

heeft een schoonen boezem; rendre —,braken, overgeven; fig. een goed, dat men onrechtvaardig verkregen heeft, op last van het gerecht teruggeven; faire rendre — a qn., iem. doen teruggeven; il lui tient Ie pied sur la hij zet hem den voet op de keel, dwingt hem met geweld; — cliaude, rauw, warm vleesch (als voeder voor valken); lig. faire (une) — cliaude, des —s ehaudes de qn., de qcli., zich vermaken ten koste van iem., van iets. Gorge-hlaiiclie, f. witkeeltje (soort vogel). Gorge-hleue, f. blauwkeeitje (soort vogel). Gorge-de-lion, f. leeuwenbekje (zeker bloempje); pl. «les gorges-de-lion.

Gorge-de-pigeon,m. duivenhalskleur,v.; weerschijn in zekere zijden stollen, m.; (couleur) —, duivenhalskleurig, weerschijnend.

Caorllgé, êe, a. opgezwollen, gevuld; —gée. f. mondvol, v.; slok, m.; —ger, v. a. met spijzen volstoppen, overladen; fig. overhoopen; m» —, v. pr. zich met spijzen overladen, volstoppen.

Gorgcrc, f. onderknie (soort van kromhout op schepen), v.

Gorgel!ret, m. wegwijzer, m (zeker instrument, dat de wondheelers bij het steensnijden gebruiken); —rette, f. vrouwenhalskraagje; band aan een kindermuts; — rin, m. halsstuk van een harnas; krans eener zuil, m.

Gorget, m. holle schaaf, kraalschaaf, v. Gorgone, f. hoornkoraal.

Gorgones, f. pl. Gorgonen, drie vrouwelijke monsters.

Gorille, m. gorilla-aap, m.

Gosier, m. keel, v.; gorgel, slokdarm, m.: avoir Ie — pavc, ferre, een verstaalde keel hebben, kokend kunnen eten of drinken: «1*1111 seul coup de —, met ééne uitstrooming van de stem.

Gossampin, m. wolboom, kaasboom, m. Gosse, m. fam. jongen; zie ook Cosse. (■othique, a. gothisch; fig. ouderwetse!); -. m. het Gothische in den bouwtrant; de Gothische taal, v.; het Gothisch schrift.

Caotou, m. helmstokring, m.: slet, lichtekooi. Gouache, f. het teekenen of schilderen met waterverf; waterverf met gom aangemengd: waterverfschilderstukje.

(aouaillller, v. a. bespotten, voor den gek houden; —lerie, f. bespotting, v.; —leur, m. euse, f. spotter; spotster; a. spottend.

faouais, in. zekere slechte druivensoort, v. tioua pe, f. leeglooperij, straatslijperij, v.; leegloopers uit den arbeidersstand; —per, v. n. pop. lanterfanten; —peur, m. pop. dagdief, lee^looper.

taou tlron, m. teer; — dronnage, m. het

teren, het bestrijken met teer; — «Iroiiner. v.a.teren; —dromierie, f.teerstoof, v.; —dronneur, m. teerder en kalfaterer; — dron nier, m. teerstoker; —droiuiiêre, f. toestel omteerdamp in te ademen; plaats in de bosschen waar de teer gestookt wordt.

(aouffre, m. (lat. gurges) afgrond, maalstroom, m.; draaikolk, m.

Caouge, f. slecht vrouwspersoon, lichtekooi; guts (soort van beitel), v.

<•011! in, m. deugniet; matroos die niet oppast; —ine, f. lichtekooi, v.

(aoujat, m. trosdrager, legerjongen; opperman; pop. gemeene kerel, schoft.

(aou!j<>ii, m. (lat. go bi 0) grondeling, post (zekere visch); drevel; ijzeren bout, m.; spilletje: — fonner, v. a. met bouten of pennen vast