is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Grinioire, m. tooverboek; fig. onverstaanbaar geschrift; brabbeltaal, v.; fig. et fam. il snit Ie —, hij kent de knepen, hij weet het fijne van de zaak.

Grimüpant, e, a. klimmend; plnnte —e,

slingerplant; — pée, f. moeilijke bestijging van een' berg, v.; —per, v. n. klauteren, opklauteren, klimmen; v. a. beklimmen; fig. il se grimpe, nu wordt hij aandoenlijk; — pereau, m. pimpelmees, v., boomkruipertje; — peurt), ni. pl. boomloopers,m.; klimdieren, klimslangen.

Griii||cement, m. knarsing of knersing (der tanden), v.; —eer, v. n. et v. a. kraken, knarsen, piepen (van een wiel, een deur, een slot); — les (de») dents, op de tanden knarsen of knersen.

Grineheux, euse, a. slecht geluimd, («ringalet, m. zwak, onbeduidend mannetje. Gringolé, ée, a. eroi\ —e, dubbel slangenkruis (in de wapenkunde).

Gringot(t)er, v. n. neuriën; kweelen, kwinkeleeren (van vogels).

Gringtieiiaude, f. vuiligheid, v. (aan de afvoerende organen); snottebel; kliekjes overgeschoten spijzen.

Grinson, m. beukvink, m.

Griot||te. f. morel, v.; marmer met roode en bruine vlekken; —tier, m. morelleboom, m. Griplie, m. raadsel.

Grippc, e, a. gekaapt,behendig weggenomen; lijdend aan griep.

Grippe, f. fgril, dwaasheid, vreemde neiging tot iets, v.; tegenzin; prendre qn. en —, avolr «in. en —, een afkeer tegen ïem. opvatten, hebben; —, griep, aanstekende verkoudheid, v.

Gripoe-argent, m. duitendief, gelddief; pl. den grippe-argent.

, Grippe-eliair, m. politieagent. Grippe-eoquiii, m. gendarme, diender. Grippe-fromage, m. kat, v.

(irippcler (we), v. pr. met plooien opkrimpen.

GripHpe<miiiaud, m. kater, m. (bij La Fontaine); —per, v. a. heimelijk en behendig wegstelen, kapen, grijpen, naar zich toehalen; lig. pakken; v. n. elkander vangen, vastklemmen (van de raderen eener machine); se —, v. pr. rimpelen, krimpen.

Grippe-sou, m. schacheraar, woekeraar; pl. des grippe-sou(s).

Gris, ine, a. grijs, grauw; fig. fam. half dronken; temp** —, betrokken lucht, v.; vin —, bleekroode wijn, m.; vert de —, Spaansch groen; — de Ier, ijzergrauw; patrouille —e, stille nachtwacht, v.; prov. la nuit tous le» eliats Mout —, bij nacht zijn alle katten grauw, in den donker is alles even schoon; fig. faire —e mine a qn., iem. slecht, onvriendelijk ontvangen; —, in. grijze, grauwe kleur, v.; — de lin, appelbloesem, m.; — de perle, parelkleur, v.; — pominelé, appelgrauw (van paarden); — hai, vaalgrijs; — de souris, muisvaal; den —e», ernstige, onaangename dingen; faire vair des —es a qn., iem. onaangenaamheden bezorgen.

Grisail||le, f. grauwtje, schilderkunst met wit en zwart; vermenging van grauw en wit haar voor pruiken, v.; —Ier, v. a. grauw schilderen; v. n. grijs worden.

Grisanl, m. witte populier, m.

Grisatre, a. grijsachtig, grauwachtig. Gris*cendre, a. aschgrauw.

valkhoff, Frang-IIoll. i.

Gris-de-perle, Gris-perle, a. parelgrijs. Grise-queue, f. taling, m.

Griser, v. a. halfdronken maken; benevelen; bedwelmen; se —, v. pr. een roes drinken, zich dronken drinken; fig. zich bedwelmen, in vuur raken.

Griserie, f. lichte roes.

Griset. m. jonge distelvink, m.

Grisette, f. grizet (soort van wollen stof); coquet meisje, lichtzinnig naaistertje of dienstmeisje; bastaardnachtegaal, m.

Gris-obseur, a. donkergrijs.

Grisol||lement, m. het slaan, trillers maken (der leeuweriken); —Ier, v. n. zingen, slaan, trillers maken (van leeuweriken).

Griso||n, onne, a. grijs van haar; 11 devient —, hij wordt grijs; m. grijsaard; knecht of lakei zonder liverei; grauwe harde steen, m.; fam. ezel, m.; grauwtje; —, a. uit Grauwbunderland; m. et f. bewoner, bewoonster van Grauwbunderland; —iniaiit. e, a. grijzend, grijswordend; —nner, v. n. grijzen, grijs (van haar) worden. Grisonnette, t soort van nachtvlinder, m. («ril!sou, a. feu —, ontvlambaar gas in de mijngangen; ehant du —, knetterend geluid van ontsnappend mijngas; —souteux, euse, a. grisou, ontvlambaar mijngas bevattend. Gris*perle, zie Gris-de-perle.

Grive, f. lijster, v.

Grill velé, 'ée, a. wit en grauw gespikkeld, lijsterkleurig; — velée, f. knevelarij, ongeoorloofde winst, v.; — veler, v. n. fam. ongeoorloofde winst maken, schacheren; — vélerie, zie -velée; — veleur, m. fam. schacheraar, maker van ongeoorloofde winst.

Grivelure, f. grijze en witte kleur, v. Gri vette, f. lijster, v.

Griviére, f. lijsterhuis.

Grivois, oise, a. vroolijk, dartel, lustig; m. et f. vroolijke, wakkere snaak; flink wijf; soldatenhoer.

Grivoiserie, f. lustige streek, v.; vroolijke woorden.

GroPnlandais, e, (pr. o-èn) a. Groenlandsch; m. et f. Groenlander, Groenlandsche vrouw.

Grog (pr. gro-gue), m. (m. angl.) grog, v. (drank uit rum, suiker en water bereid); pop. — au bwuf, bouillon, m.

Grojignard, m. knorrepot, brompot; — gne, f. fam. verdriet; gemelijkheid, v.; — gueiiient, m. geknor (der varkens); gebrom; —gner, v. n. (lat. grunnire) knorren (als de varkens); fig. fam. knorren, morren, brommen; — gneur, euse, a. knorrig, verdrietig: m. brommer, knorrepot; —gnoiuier, v. n. gedurig knorren, brommen; —gnon, m. knorrepot, grompot, brompot. Groin, m. varkenssnuit, m.

Grolle, Grole, f. (lat. graculus) zaadkraai, v.

Groinine Ier, v. n. fam. knorren, brommen; —leux, a. knorrig.

Groii||dal>le, a. bekiivenswaardig, laakbaar; —dant, e, a. knorrend, brommend; tonnerre —, rollende donder, m.; —dement, m. gerommel; gebrom; —der, v. n. (lat. grundire, grogner) knorren, brommen; rommelen; v. a. beknorren, bekijven; —«lerie, f. gekijf, geknor, knorpartij, v.; —deur, euse, a. knorrig, gemelijk; m. et f. knorrepot; — din, in. knorhaan (visch), m.

(«room (pr. grouine), m. (m. angl.) stalknecht, rijknecht, palfrenier.

Gros, 'Grosse, a. (bas lat. grossus) dik;

21