Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeker Atheensch gerechtshof dat bij 't opgaan der zon zijne zittingen hield.

Ilêlillre, f.(gr. helix; de helissein, enrouler) geslingerde streep of lijn om eene ronde zuil, slingerlijn, v.; schroeflijn, v.; schroef, v.; spiraal, v.; — (propulsi ve), propeller, m. der stoomboot; esralier en —, wenteltrap, v.; vaisseau a — , schroefstoomboot, v.; — cien, ienne, —« in, ine, a. tot de schroeflijn behoorend: — rites, f. pl. versteende tuinslakken, m.; —coïdal, «Ie, — eoïde, a. schroefvormig.

Iléliiigue, f. leng, v.; eind dik touw aan het handvat (bij de lijndraaiers).

Helio||rentrique, a. zonnemiddelpuntig, uit dc zon als middelpunt gezien of beschreven; —ehromie, f. (gr. hèlios, soleil; chrèma. couleur) kleurenphotographie, v.; — graphie, f. (gr. hèlios, soleil; graphó, j'ócris) zonsbeschrijving, v.; lichtdruk, phototypie; —grapliique, a. tot de zonsbeschrijving behoorend; gravure —, lichtdruk, heliogravure; —metre, m. (gr. hèlios, soleil; mctron, mesure) zonnemeter, m.; — scope, m. (gr. hèlios, soleil; skopeó, j'examine) zonneglas; zonnekijker, m.; — (rope, m. (gr. hèlios, soleil; trepn, je tourne) zonnebloem, v. heliotroop; — du l'erou, vanillekruid; zonnespiegel, m.; f. groenachtig edelgesteente met roode stipjes.

Ilelix, m. omgeslagen buitenste oorrand, m. Ilellenore, f. nieswortel, m.; nieskruid. Ilelle||nique, a. (gr. hellènikos; dc hellen, grec) helleensch, oud-Grieksch; —iiisme, m. Grieksche spreekwijze; het hellenisme; —niste, m. Grieksche taalkenner; Alexandrijnsche iood.

Helmin || tlie, m. (gr. helmis, helminthos, ver) ingewandsworm, m.; — tliique, a. et m. (middel) tegen de wormen; — thologie, f. wormkunde; wormbeschrijving, v.

Helode, a. lièvre —, moeraskoorts, v.

Ilelose, f. zekere oogziekte, v.

Hclve||tien, ienne, a. Zwitsersch; m. et f. Zwitser, Zwitsersche; -tique, a. Zwitsersch. 'Hein (pr. cme), int. hem! hei! hei daar! Héinaügogue, a. et m. (grec. haima, sang) bloeddrijvend (middel); —teux,euse,a.bloed...; —tic, f. rood bloedlichaampje; —(ine, f. roode kleurstof van het bloed, hematine; —tite, f. bloedsteen, m.; — torcle, f. bloedbreuk, v.; —tose, f. de bloedwording, de verandering van het maagsap in bloed, v.; -turie, f. het bloedwateren.

Ijémcralope, a. dagzichtig, nachtblind. Ilemeroealle, f. hemerocailis, dagbloein, daglelie, v.

Iléini (préf. grec), half.

Hémi kyrie, m. (préf. hé mi et gr. k uk los, cercle) halve cirkel, m.: amphitheater; halfcirkelvormige zaal, v.; halfcirkelvormig gewelf; —ne, f. (lat. hemina; gr. hè mi na) inhouds- < maat v. bij deHomeinen; — one, m. halfezel, m. i (soort van paard); — plcgie, lléuiiplexie, f. i (préf. hemi et gr. plesso, je frappe) beroerte, j verlamming aan ééne zijde, v.; — ptêre, a. (préf. < hé mi et gr. pteron, aile) met halve vleugel- 1 deksels; — sphcre, m. halve bol, halfrond; i helft van den aardbol, v.; les —s de Magde- ï hourg, dc Maagdenburger halve bollen; — sphe- « rique, a. halfbolrond; —splieroïde, m. half- ; bolvormig lichaam; -sticlie. m. (préf. hè mi f, et gr. stichos, vers) halve versregel, m. t

llemoplltoïque, lIcmopHtyique, a. bloed- t

ï spuwend, die bloed spuwt; —tysie, f. (gr.

haima, sang; ptusis, crachement) bloedspu- wing, v. (als zij uit de long voortkomt), ï llcmor||r(h)agie, f. (gr. haima, sang, rég; nu mi, faire éruption) bloeduitstorting, bloed-

* lozing, v.; — r(lt)agique, a. tot de bloeduit; storting behoorend; — rhée, f. passieve bloeiI, vloeiing, v.; — roïdaire, a. aan aambeien lijdend;

• m. et f. lijder aan aambeien; —roïdal, ale. a. ; speenaderlijk; — roïdale, f. stekelvederdistel

(plant); —roïdes, f. pl. (gr. haima, sang; rheó, je coule) aambeien, v.

Iléinos(a||se. f. (gr. haima, sang; sta sis . arrèt) stilstand in het bloed, m.; —tique, a. et m. bloedstillend (middel).

Hen, Hein, interject. hé? wat? (woordje, dat gebruikt wordt, wanneer men een gezegde wil 1 doen herhalen).

Hendéeaügone, Endéragone, m. (gr. hendeka, onze; gonia, angle) elfhoek, m.; — a. elfhoekig; —syllabe (pr. in>, a. (gr. hendeka, onze, et fr. syllabe), van elf lettergrepen; m. vers van elf lettergrepen.

Ileiiné, llenneli, m. Henna (Oostersclie heester, waarvan de bladeren fijngestampt geel kleuren).

'Hennin, m. zeer hoog kapsel der 14de en 15de eeuw.

*llen||iiir (pr. anir), v. a. (lat. hinnire) brieschen, hinniken (als de paarden); *—nisNrmeiit (pr. ani), m. het gebriesch, gehinnik (van een paard).

Ilépar, m. zwavellever, v.

Ilépalltique, a. tot de lever behoorend; —, f. leverkruid; —tite, f. (gr. hèpar, foie) ontsteking in de lever, v.; leversteen, m.

Ileptatrorde ou Eptacorde, a. (gr. hepta, sept, et fr. corde) zevensnarig; m. zevensnarige lier, v.: —êdre, m. (gr. hepta, sept; edra, surface) zevenvlak; — gonal, e, a. zevenhoekig; —gone, a. (gr. hepta, sept; gonia, angle)zevenhoekig; m.zevenhoek; zevenhoekigti vesting, v.; —méron, m. (gr. hepta, sept; émera, jour) werk van zeven dagen; verzameling van vertellingen van Margaretha van Navarre, v.

liepIItandrie, f. plantengeslacht der zevenhelmigen; — tarcliie, f. (gr. hepta, sept; are hè, commandement) zevenkoningdom; zevenregeering, v. (vooral van de zeven Angelsaksische rijken in Engeland).

Iléral||diq«ie, a. (lat. heraldus, héraut) tot de wapenkunde behoorend; —diste, m. wapenkundige.

'Heraut, m. (lat. heraldus) heraut, krijgsof wapenbode.

lier !bare, ée, a. grasachtig, kruidachtig; — bage, m. (voeder)gras; weide, v.; weireeht, weiloon; — hager, v. a. het vee naar de weide brengen; m. groenboer; vetweider; —bageux, euse, a. grasrijk, grazig; — be, f. (lat. her ba» gras; kruid; —s, f. pl. kruiden; flnes —m, geurige toekruiden (peterselie, kervel); boite aux —s, botaniseertrommel; inauvaise —, onkruid; inauvaise — eroit toujours, onkruid vergaat niet; il a inarelié sur uue inauvaise —, hij is uit zijn humeur, hij is met het verkeerde been uit bed gestapt; eouper I'— sous le pied a qn., iem. het gras voor de voeten wegmaaien; en —, nog groen (van koren, hennep enz.); Hg. mangel' son ble en —, zijne inkomsten vooruit verteren; uil savant en —, een geleerde in

Sluiten