Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

llinguet, lJiiguet, m. klemhout van het

braadspit.

llinse! int. hijsch op! hysch! .

Hippi üatre, m. (gr. hippos, cheval; ia tros, medecin) paardenarts; — atrie, —atrique, f. geneeskunde (van paaiden), v.; —en, enne, ou —uue, a. het paard betretTend, tot het paard behoorend; concours -que, wedren.

llippo||campe, m. zeepaard (van de zeegoden); zeepaardje (visch); — centaure, m. menschpaard; —era», m. hippokras, v. (soort van drank); —erate, m. dokter;

tique, a. naar de leer van den beroemden llippocrates; —cratisine, m. geneeskunst, v. volgens Hippocrates; —eréne, f. bron der zang"odinnen, hengstebron, v.; —droine, m. (gr. hippos, cheval; dromos, course) renbaan voor de paarden, v.; paardenspel; — «rille, m. (»r hippos, cheval; gr ups,grilïon) gevleugeld -h /in ,i« fïhfillftr'pV. — litlie. f. naardesteen,

m.; -malie, m. liefhebber van paarden; —11e, t Hippona, godin der paarden; —pliage, m. pnardenvleescheter; — potame, m.(gr. hippos, cheval; po tam os, fieuve) rivier- of nijlpaard.

Ilirondelle, f. (lat. hirundo) zwaluw, v.; pierre «T—, zwaluwsteen, m.; fam. arbeider, '♦ nnrut uit <1« nrnvincie komt: handels¬

reiziger; huurkoetsier; fam. —d'hiver, kastanjekoopman; schoorsteenvegersknecht; fam. — de grêve, gendarme. A , .

Ilirsute, a. (lat. hirsutus) met lange, bor-

1,.11'OH • i'iiicr hnrat.AÜir.

Ilirudinées, f. pl. (lat. hirudo, sangsue) bloedzuigers, m.

IlispaI!nlque, a. Spaansch; —«Isme, m. (lat. h is pa nu 8, espagnol) Spaansche taalmr • _»irt riii samenstellingen)

W ruuilip , \ — ,

Spaansch; — iio-amérlealii, e, a. SpaansehAmerikaansch.

Ilispide, a. (lat. hispidus, hérisse) ruig, borstelig, stekelig.

Ilisser, v. a. hijschen, ophijschen.

Ilistoire, f. (gr. historia, information, recherche de la vérité) geschiedenis,# v.;

gedenkschrift; beschrijving, v.; — «»* me, ,.:t .ïr, rr»ar> Am ft» Inphp.n: nvoil' de» —»

ensemble, met elkaar kibbelen, twisten; conter de» leugens vertellen.

Histologie, f. leer der organische weefsels, v. llisto||rial, «Ie, a. tot de geschiedenis behoorend, historisch; —rien, m. geschiedschrijver; —rier, v. a. wijdloopig verhalen; opsieren met biuino «ipmrtpn- — rielte. f. vertelseltje, ver¬

haaltje; —riograplie, m. (gr. historia) aangesteld geschiedschrijver; —rlque, a.geschiedkundig, historisch; f. de geschiedenis, het verloop; -riquemeiit, adv. geschiedkundig,

Ilifttrion, m. (lat. histrio) potsenmaker, rondtrekkend tooneelspeler.

Hiver. ni. (lat. hib er nu s, hivernal)winter, m. llUnrll ■utolio m wintervoeder: —naïe, m.

wintertijd, m.; overwintering, v.; winterhaven,, v.; het bewerken van den akker tegen den winter; —nal, ale, a. tot den winter behoorend; _ n»iu.. e t»intai-cia-in m ? winterweer: —lier.

v. n. overwinteren; de winterkwartieren betrekken; v. a. — une terre, een akker tegen den winter bewerken; »*—, V. pr. zich tegen de koude harden.

•II» f !nt K..I ».-i ' lm! il.inr!

liohereaii. m. havik, m.; fig. fam. kale jonker, landjonker.

'Hoe, m. zeker kaartspel.

'llocco, m. gekuifde Amerikaansche vogel, m. 'Iloclie, f. kerf, keep, inkeping, v. 'Iloclietiient, m. schudding (van het hoofd), v. lloche pot, m. hutspot met knollen, wortelen enz., m.; '—queue, m. kwikstaartje.

'Ilocher, v. a. schudden, sterk bewegen; inkerven; — la tète sur qeli., het hoofd ergens over schudden, iets afkeuren; — Ie mors, la bride a qn., iemand tot iets zoeken aan te moedigen; fig* — du nez, den neus optrekken, 'llochet, m. kinderbei, v.; rammelaar, m. llodomètre, m. wegmeter, m.

t'llogner, v. n. fam. tussschen de tanden brommen.

Iloir, m. (lat. na^res; engeuaam, um, u... Iloirie, f. erfenis, v.

Iloirin, llorin, m. breitouw.

'Ilola. int. hola! stil, stil! houd op, zachtjes! inettre Ie -, den twist bijleggen, vrede stichten.

'll<M|lenieiit, m. gekras van een uil; '-Ier, v. n. krassen (van een uil).

• llol la n II da is, e, a. Hollandsc.h, Nederlandsch; m. et f. Hollander, Hollandsche vrouw; ni. het Hollandsch; f. door wind gedreven watermolen; '—de, f. soort batist; m. Hollandsche kaas, v.; '—dée, a. f. batiste —, soort van batist, die zeer sterk is, v.; '-der, v.a.op zijn HoUandsch bewerken, bereiden: ganzeveeren pennen bereiden; '—diser, v. a. verhollandschen, Hollandsch

maKen, eene riouunusuue gcuaaun. ,

llolo||eausie, in. (.gr. uo»u*.»uni.«=,

tont entier) brandotl'er; — grapne, a. geheel met eigen hand geschreven; zie olograplie; —thuries, f. pl. op wormen gelijkende straaldieren,die in China en Japan als lekkernij gegeten worden en 't handelsartikel tripang vormen; —t liurioii, m. soort van zeedistel, v.; zeeblaas, v.

lloin: (pi. ome), uiteij. mm 'llouiard. m. zeekreeft, m. _ .

Ilonthre, m. omberspel; omberspeler; laire une partie d'—, omberen, een partijtje omberen.

'Home, m. (mot anglais) eigen haard, huiselijkheid, v.

llomelie, f. (gr. homilia, conversation)

leerrede over een siuk van ueu godsdienst of over het Evangelie, v.; vermaning, boetpredikatie, v.

Honiéo, (in samenstellingen) gelijk, gelijksoortig. , ,

lloineopa ||tl»e, m. aanhanger der homeopathie; homo'opathisch dokter, homeopaath;

tliie, f. (gr, homoios, semblable; pathos,

atTection) homeopathie, geneeswijze van Dr. • i..i élkiinau ■■ Immi-pniinthisch: — llli»

riaiiuciiiiiiui, —, »*• r i

ser, v. n. de homeopathie uitoefenen.

lloiiié!|rides, m. pl. navolgers, bewonderaars

van Homerus; —rique, a. Homerisch, naar

den dichttrant van noinerus.

Iloinillcide, m. (lat. homicida; do homo, hom me; caedere, tuer) moord, doodslag; moordenaar; — de soi-iiièuie, zelfmoordenaar; —, a. moorddadig.

llouiÜllètique, a. vertu -, gezellige deugd, gezelschapsdeugd; f. homiletiek, kanselwelspiekendheid; — liaire, m. verzameling van leeri . Iluulo m «rhrnver vail

reueneu, pn.-uK.cu, v., —ï J ". ..

leerredenen; — lie, f. bijbelverklarende preek, v.

■ ■ tl! l.w*n.a;<>ht rr» • liilliliiririj/. V.:

|IOUIIIIi«!IK«*, lil. r »•

fig. hulde, v.; eerbied, m.; laire, rendre I -, huldigen, eer bewijzen; fig. rendre — « la vérité, de waarheid hulde doen; faire — a qu. (Tuil livrc, iem. een boek vereeren, ten ge-

Sluiten