is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

llypotypowe, f. (préf. hypo et gr. tupos, figure) levendige voorstelling in beelden, v.

llypNOiue trie, f. (gr. hupsos, liautcur; metro n, mesure) hoogtemeting, v.; —trique, a. hoogtemetend.

Ilysope, f. (gr. hussópos) hyssop, v. (plant).

Ilye*té||ralgie, f. moederwee; — rie, f. hysterie, v.: — riaue, a. hysterisch; f. hysterische vrouw; —roe él f*, f. baarmoederbreuk v.; — rotouiie, f. baarmoedersnede, v.; keizersnede, v.

Ilystrix, m. stekelvarken.

I.

1, m. 1, v. negende letter van het alphabet. ïaiu||be, m. (gr. iambos; de iaptó, je frappe) jambe, voetmaat, bestaande uit eene korte en eene lange lettergreep (in de Grieksche en Latijnsche dichtkunst), v.; m. pl. spotdicht, hekeldicht; — bique, a. jambisch.

Ia||trique, a. geneeskundig; f. geneeskunde, v.; —troeliiinie, f. geneeskunde door chemische middelen, v.

Ihéride, f. scheef bloem, wilde kers.

lliérieii, enne, Ibérique, a. tot Spanje

l.<ihnnronrl Snnnnsn.h.

lbid, Ibidem (pr. èiue), adv. ter zelfder plaatse.

Ibi», (pr. biee), m. ibis, Nijlreiger, m. Iraque, Ieaquier, m. Amerikaansche ikakoof kokospruinieboom. m.

Ireberg, m. ijsberg, m. (in het hooge noorden), flrelui, m. leelie, f. pr. Iceux, m. pl. lrel-

I». f ril dip. rlp.7.r>. hii. zii.

Icluieiiiiioii (pr. ike), m. (gr. ichneumon) Egyptische rat, v. (ral de l'liaraon); —, m. ou guèpe —e, f. sluipwesp, v.

lt-hiiogru plie (pr. ike), m. grond-, planteekenaar; —pliie, f. (gr. ichnos, tracé; graphó, j'écris) grondteekening van een gebouw, v.; —pliique. a. de grondteekening betreffend, ichnographisch.

lrliollr (pr. kor), m. ettervocht; — reux, eune (pr. ko), a. ettervochtachtig; —roïde, f.

spharn vncht.

Irlity ||ocolle. (pr. ike), f. vischlijm, v.; —ograpbe, m. beschrijver van visschen; —ograpliie, f. beschrijving van visschen, v.; —ograpliique, a. de beschrijving van visschen betreffend; —oïde, a. et m. op een visch gelijkend (kruipend dier); —olitlieM, m. pl. (gr. ichthus, poisson: lithos, pierre) versteende visschen. m.; afdruksels van visschen op steen; -ologie, f. (gr. ichthus, poisson; logos, discours) beschrijving der visschen, v.; — oioiriuiio. a. de visschenleer betreffend; —ologiwte.

m. vischbeschrijver, vischkenner; — opbnge, (ov ifiitiin* nnissnn? nhaffo. ie mance)

vischetend; m. vischeter; — opbagie, f. het vischeten; doorgaande voeding met visch, v.; —onaure, m. (gr. ichthus, poisson; sauros, lézard) vischhagedis, v.

lei, adv. (lat. hic) hier, hier ter plaatse; jiiHqu' —, tot hiertoe; —ba», adv. hier beneden; —pré», adv. hierbij, niet verre van hier; hom d*—, er uit! d*— la, van hier tot daar; van nu tot dan; d'— en huil Jour», vandaag over jir.ht. rtao-p.n.

leoglan, m. page of edelknaap (in 't binnenpaleis van den Sultan).

leAne, f. evenbeeld, beeld, afbeeldsel; Heiligenbeeld in de Grieksche kerk.

leoiio||elaMiiie, in. beeldstormerij, v.; —elaste,

m. (gr. ei kon, image; klao, je brise) beeldenstormer; —graphe, m. beschrijver, kenner van beelden, schilderijen enz.; —grapliie, f. (gr. eikón, image; grapho, j'écris) beschrijving of kennis der beelden, schilderijen, penningen, enz.; verzameling afbeeldingen van beroemde personen, v.; — g ra pliique, a. tot de beschrijving der beelden, schilderijen enz. behoorend; —latre, m. (gr. eikón, image; latreuó, j'adore) beeldendienaar; —logie, f. (gr. ei kon, image; logos, discours) beeldenleer, verklaring deibeelden, v.; —logique, a. hetgeen tot de uitlegkunde der beelden behoort; -logi»te ou logue, m. beeldenkenner; — ïitaque, m. bestrijder van den beeldendienst.

leoHaêdre, m. (gr. eikosi, vingt; edra, face) twintigvlak; a. twintigvlakkig.

Kiltere, m. (gr. IK ie rus; gcciiutui, »•> —térique, a. geelzuchtig, die de geelzueht heeft; m. et f. geelzuchtige.

Idéa||l, e. a. denkbeeldig, ingebeeld, hersenschimmig; ideaal, volmaakt; m. ideaal, droombeeld; — Uwer, v. a. tot het ideale verhetren; veredelen, vertraaien, idealiseeren; — li»me, m. idealisme; —liate, m. idealist; —lite, t. denkbeeldigheid, v.; -lités, pl. droomerijen, inbeeldingen.

Idéé, f. (lat. idea; gr. idea, aspect, image) denkbeeld, begrip; gedachte, v.; inval, m.; gevoelen; ontwerp; lig. valsche meening, v.; premieren —w, grondbegrippen; il n'eii a pa* la première —. hij heeft er niet het minste begrip van; avoir — que..., zich inbeelden, dat...; venir a I'—, en —, invallen; I — lui e»t venue de ..., hij is op de gedaehte gekomen om ...; «e repaitre d' —zich met hersenschimmen voeden; —, klein beelje; —(-)mère, grondgedachte.

Idem (pr. deuie), adv. dezeltde, hctzeltde, dito.

ldemiHte, m. jabroer.

Identi||Meatioii, f. vereenzelviging, gelijkmaking, v.; —lier, v. a. (lat. idem, Ie menie; face ré, faire) twee dingen onder één begrip brengen, vereenzelvigen; »]—, v. pr. avee ..., zich vereenzelvigen met, één worden met...; —que, a. (lat. idem, le mème) een en hetzelfde, gelijkbeteekenend; —quemeiit, adv. op eene en dezelfde wijze; -té, f. identiteit, v.; eenzelvigheid, eenheid van wezen, v.

Idéograpliie, f. (gr. idea, idéé; grapho, j'écris) uitdrukking, v. van de gedachte door beelden.

Ideolo gie, f. (gr. idea, idéé; logos, discours) kennis der denkbeelden, begrippen, v.; —gique, a. tot de begripsleer behoorend; —gue, —giste, m. beoefenaar van de begrips-

22*