Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de goede manier vinden om iets aan te pakken: reniplir les — s «les pierres, de voegen der steenen vullen; —te, f. kluister aan den poot van een naarri. v * — «« Q 1

, ; « i «*,*«,«. uuug ui uiaK van

pooten (van paarden); -tóe, f. dubbele handvol,

«• «aiicciiamiLenu, aicnt aaneen gevoegd; —toieuieiit, m. het voegen, het dicht-

8 ir ij Ken der voegen; —foyer, v. a. voegen, de

,uu«u, iijonijncu, —cure, i. gewricht:

voeg, v.

Joli, ie, a. aardig, mooi, fraai, lief, hupsch. Joliesse, f. aardigheid, lieftalligheid, v. Joliet, ette, a. fam. lief, vrij aardig. JoliIment, adv. aardig, geestig; -vetes, f. pi. allerlei aardige kleinigheden, v.

Jonathan (of frère Jonathan), m. broeder Jonathan (benaming die de Engelschen aan de Amerikanen geven).

Jonc, m. (lat. juncus) bies, v.; riet: gouden ring zonder kas of steen, m.j — des Indes Spaansch riet; eanne de -, f. ou m.rieten' wandelstok; droit eoniine un —, rechtuitkaarsrecht; des — s, rieten matten.

Joneacees, f. pl. biesgewassen.

JoilllHinif» f. nlantc * .. .

—, . wast, v.;

r br gestrooide bloemen of takken;

iJO, mcuic xuuuiKJias, v.; ng. slachting, vï' ,l.,!e "e c«<lttvres, eene menigte verstrooid lio'e'PnHf» liil/«... »i.n * , .

--oo "j"»"') —« iirmriil, iii, ue-

strooiing, v. met bloemen, takken enz.; -cher,

n il V , , ««et uiuemen enz. oestrooien;

lig. bedekken; -elière, f. rietbosch(je); -chets m. pl. knipperspel (van jonchets = fiches, die op tafel door elkaar liggen, moeten zooveel mogelijk tegelijk met een haakje opgenomen worden, zonder de andere aan te raken».

Jonetion, f. (lat. junctio; de jungere, joindre) samenvoeging, vereeniging, samenkomst; vereenigingspunt.

Jon[|gler, v. n. (lat. joculari, faire des choses plaisantes) goochelen; -glerie f goochelarij. kwakzalverij, v.; -gleiir, m. goochelaar, potsenmaker, kwakzalver.

Jmique, f. (chinois tchouen, bateau) ionk, v. (Chineesch vaartuig).

Jonquille, f. jonkielje, tijloos, v. (soort van narcis); geel-en-witte kleur.

J»Hepli, a. papier soort van dun en doorschijnend papier.

Jotte, f. beet, biet, v.; wilde mosterd, m.

Jnüiiraun* <->ii ... .

tfuuiricnui, III. pl. stutten.

klampen, m., mastwangen, v.

JouAble, a. speelbaar, opvoerbaar.

Jouaillller, v. n. fam. tot tijdkorting om kleine winst spelen; middelmatig spelen (muziek); —lerie, zie Joaillerie.

Joubarbe, f. huislook, donderbaard.

Jon e, f. (lat. ge na) wang, koon, kaak, v.: eoueher en —, mikken, aanleggen; — de VAissean, boeg, m. van een schip.

Jouée, f. dikte van een* muur in de opening van eene deur of van een venster, v.

. Jouer, v. n. et a. (lat. jocari, de jocus, jeu) spelen; zich gemakkelijk bewegen; — uur les mots, woordspelingen maken; — avee sa vle, sa sante, zijn leven, zijne gezondheid niet ontzien; — d un iiistrnineiit, op een instrument spelen; — du violon, op de viool spelen;

- 4» ui» jeu, een spel spelen; - qeh., iets spelen; om iets spelen; - qu., iem. bedriegen; belachelijk maken; - de malheur,ongelukkig spelen; lig. een ongeluksvogel zijn, wanboifen;

- au un, au plus fin, list, sluwheid te baat

nemen; — serré, voorzichtig spelen; fig. voorzichtig te werk gaan; - qn. par-dessou* jambe, iem. zonder moeite de baas worden— des jambes, hard loopen; — d'adresse listig, behendig zijn; - de Ia prunelle, elkaar knipoogjes geven; - des yeux, elkaar blikken van verstandhouding geven; — du poigiiArd de Ia dAgue, den dolk hanteeren; — uiip'

fuece, un tour a qn., iem. een poets bakkena seri ure ne joue pas, het slot beweegt niet gemakkelijk: couleurs qui.jouent, wisselende kleuren: eette étofTe joue Ia soie, Ie sAtin

fifiZfi stnf ffAllilrt r\n n'irln «otü. . <ï _ «• • '

----- . njuc, öcltljll, lig. iaiie Jouer des ressorts, alle mogelijke middelen in t werk stellen: lo i»...

sou mirre, het schip drijft heen en weer ou zijn anker; faire — Ie» eaux, de fonteinen laten springen: les pompen jouen», de pompen spuitenfaire — le eniioii, met geschut schieten; l'aire — mie mine, eene miin doen

snnniron • .»••« • .

*. t-uiiis, siuivertiewisselen; — a Ia iiiain cliaude, handjeplak spelen; — a eolin-uiaillard, blindemannetje snelen • •.<> v nr molnn — „i J

« »• k* • vei muiten; se —

a nn.. iem. »nnv»ll^n* »■> ....i, i_

. p—» ; . , . , — «■ bui urn.,

zich met iets inlaten; se — de qn., met iem. den spot drijven; se — de qeh., iets spelende doen; met iets spelen.

fjouereau, m. slecht speler, kruk; speler om weinig geld.

Jouet, m. speelgoed; fig. speelbal, m.; notie vaiBseau fut le - des vent» et de» llotn, ons schip was een speelbal van wind en golven- Ie ne veu* pa» «'tre le - de» sots, ik wil niet van gekken worden uitgelachen.

Joneur, m. euse. f. speler, speelster; heau —. buil —, speler, die zijn verlies flink draagt; — de» inains, schalk, grappenmaker; fam. e ent un rude —, hij verstaat geen gekscheren,

t. IS CPVnïirliiL" mol Kom 1 ■ 1

, °j "*.,v 11 "C1" rta" lc — «e

hl Hard. biljartspeler: - de gohelets, goochelaar; a. speelziek.

Joilfllll n fnm mot ,1:1,1,,. i_ i

T ' mei wauKBIl, OOl-

wangig; avAiit —, ronde, stompe boeg, m.

J»ug inr. jougue), m. (lat. ju gum) juk: s anraiifhir du —, secouer le —, het juk

afwprnnri • mnHr.. I.

nuun it- —, onaer net juk

brengen; -, m. sjorhout (op schepen); hefboom der balans, m.

Jouières, Jouillères, f. pl. zijmuren eener sluis, m.

• v,.n- gaudere, éprouver de la

joie) (de qeh.) iets genieten of bezitten, in het bezit zijn van iets.

JouisUsance, f. genot; gebruik; bezitting, v.; -sant, ante, a. genietend, gebruikend, bezittend.

Joujou, m. fam. kinderspeelgoed; pop. ridderkruis van 't Legioen van eer; faire —, spelen.

Jour m Hno>linKt . ,1 . .

A.. u" . ? ! uag, in.; ail poilll

"u * bij het aanbreken van den dag; au HeUt. -» b,J het eerste morgenlicht; il fait, ii est grand —, het is klaarlichte da/;: elair rnminp l<> — triaohnM^. i_ .

, ng. ir yrrniiu —,

het daglicht, de openbaarheid; voir Ie —. het

|pvnnalir>ht anc.lw-...'

««iio^uuuncnj inciire au —, ter

wem H hrpnmn • fln *

— "&• vuuinirciigen scneppen;

openbaren; perdre. uuitter le sterven:

, licht, vensterlicht; ee — ent bien prntfqm*, dat licht is goed aangebracht; pratiuuer un — dans un mur, eene opening in een muur aanbrengen; tnux(-)-, valsch licht;

Sluiten