is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laten; —elie, a. (lat. laxue, large) slap, niet gespannen, los; fig. traag, loom; bloohartig, lafhartig; schandelijk, laag; style —, zenuwlooze schrijfstijl, m.; —, m. bloodaard, lafaard; «•'e»t mi —, 't is een bloodaard; —cbement, adv. lafhartig, laag, schandelijk; —cher, v. a. vieren, los maken, het stijf gespannene een weinig ontbinden: los laten; laten varen, wat schot geven; — los éeluse», de sluizen open zetten; — de 1'eau, water loozen, wateren; — Ie ventre, den buik loozen; — un roup «Ie pistolet, een pistool afschieten; — la niaiii, de hand lichten; — un mot, zich een woord laten ontsnappen; — pri»e, loslaten; — Ie pied, de vlucht nemen, ontvlieden; — la bride, den teugel vieren; — un coup a qn., iem. een slag geven; — qn., iem. in den steek laten; »e —, v. pr. verslappen, los gaan; un ressort qui »e laelie, eene veer, die zich ontspant; —clieté, f. slapheid; lafheid, laf-

narugneiu; uenuusiieiu, uuigiiuiu v«u aici, —rlieur, m. eu»e, f. houtvlotter; onbetrouwbaar persoon die iem. in den steek laat, deserteur; —eliure, f. sluiswater, sluisvol.

Laciiiie, ée, a. diep en onregelmatig uitgetand.

Laci» (pr. ci), m. netvormig weefsel, maaswerk.

Lae(k), m. gefingeerde rekenmunt in O. 1., v.: lae(k) de ronpie» = 100.000 ropijen = / 120.000.

Laco||nique, a. beknopt, kort en bondig, laconiek: — iiiqiiemeiit, adv. op beknopte wijze, bondig; — litanie, m. laconismus, korte en bondige wijs van spreken, v.

Lacr*yina-Cliri»ti, m. (mot lat. qui signifie larme'du Christ) heerlijke wijn, die aan den voet van den Vesuvius groeit, ni.

Lacryllmal, «Ie, a. (lat. lacryma, larme) traanachtig: hetgeen tot de afscheiding van het traanvocht behoort; glande —male, traanklier, v.; — matoire, m. tranenfleschje (der Ouden); —mille, f. p. u. traantje.

Lac» (pr. la), m. (lat. laqueus) snoer; strik, knoop, m.; fig. valstrik, m.

Laetaire, a. melkgevend; melk bevattend; —tate, m. melkzuur zout; —talion, f. (lat. lac. lactis. lait) het zooeren: voeding van een

kiml met melk, v.; —té, ée, a. (lat. lac, lactis, lait) veine —têe, meikader, v.; vole —tée, melkweg (aan den hemel», m.; diéte —tée, melkkuur; —te»cent, e, a. melksappig; — tifére, a. melk aanvoerend; melk gevend; —tine, f. melksuiker, v.; — tiqne, a. aeide —, melkzuur; —tlte. m. melksteen, m.; — tueariuin (pr. ome), m. (lat. lactuca, laitue) ingedroogd san van de t.uinsla.

Lacnilne, f. (lat. lacuna) gaping, uitlating, v.; open vak (in een boek); —nette, f. kleine gaping, v.; kleine sloot bij een gracht, v.

La^ure, f. boordsel.

Laeii»ütral, ale, a. moeras...; —tre, a. (lat. lacus, lac) tot de landmeren behoorend; rité» —», paalwoningen (uit den voortijd); Ie» —», de bewoners der paalwoningen. •

Ladaniim (pr. iiome), m. ladanum (soort van gomhars), v.

La-dessou», adv. daaronder, er onder; daarna.

La-de»»us, adv. daarop.

Lafldre, a. (lat. Lazarus, nom du pauvre couvert d'ulcères assis a la porte du riche dans 1'Evangile) melaatsch; fig. fam. gevoelloos; gierig, vrekkig; —, m. melaatsche; fig.

schrok, vrek; —drerie, f. melaatschheid, v.; leprozenhuis; fig. vrekkigheid, gierigheid, v.; —dre»»e, f. melaatsche vrouw; fig. vrekkige, gierige vrouw.

Lady (pr. lèdi), f. (mot angl.) dame; pl.de» lady» ou ladie».

Lagon, m. klein meertje, dat door de zeo gevormd wordt.

Lngopêde, m. (gr. lagós, lièvre, et lat. pes, pedis, pied) sneeuwhoen.

Lagoplitalmie, f. hazenoog (gebrek der oogleden).

Lagostome, m. (gr. lagos, lèvre, et stoma, bouche) hazenlip, v. (bec-de-llèvre).

fjague, r. Kieiwaier.

Lagune, f. klein meer of moeras; groote modderkuil, m.

Lal, e, a. (lat. laicus) wereldlijk, leek; frére —, leekebroeder; seenr —e, (nu seeur oon verse), leekezuster.

fLai, m. verhalend middeleeuwsch gedicht; — d'amoiir, liefdeslied.

Laielie, m. regenworm, m.; —, f. rietgras (earex).

Laïciisation, f. het wereldlijk maken; —«er, v. a. wereldlijk maken; — nne éeole, de geestelijke onderwijzers van eene school door wereldlijke vervangen; —té, f. wereldlijk karakter.

Lai||d, aide, a. leelijk; — dement, adv. leelijk, op leelijke wijze; —deron, f. fam. leelijk vrouwspersoon; —«leur, f.leelijkheid, mismaaktheid, v.

La ie, f. wilde zeug, wijfje van een wild zwijn; weg door een boseh, m.; steenhouwershamer, m.; orgelkast, v.

Lainage, m. vacht, v.; wollen weefsel, wollen stof; het kaarden der wol; — ne, f. (lat. lana) wol, v.; wollig haar op planten; kroeshaar der negers; — de toi»on, scheerwol; comineree de» —h, wolhandel; — de Berlin, borduurwol: béte» a —, wolvee; loc. prov. il »e lai»se mauser (tondre) la — »ur Ie do», hij laat zich het vel over de ooren halen; laver la — »nr pied, de wol wasschen op het schaap zelf: bonnet de —, slaapmuts; fig.

ciomKop; — oamruciie, njne siruisveuer, v.; —ner, v. a. kaarden, door middel van kaarden eene stof wollig maken; — nerie, f. wolwinkel, wolhandel, m.; wollen waren; kaarderij; scheerderij, v.; —neur, m. eu»e, f. wolkaarder, -kaardster; — neu»e, f. wolkaardmachine, v.; —neux, enne, a. wollig, wolrijk; —nier. m. iére, f. wolwerker, wolverkooper; wolwerkster, -verkoopster.

Laïque, a. (gr. laikos; de laos, peuple) wereldlijk; liabit —, wereldlijk kleed; pui»»anee —, wereldlijke macht, v.

Laird (pr. lèr), m. heer, adellijk grondbezitter (in Schotland).

Lal», m. boompje, dat bij het kappen gespaard wordt; oeveraanwas, kwelder.

Lai»l!»e, f. koppeltouw, koppelriem: hoedeband, m.; ineiier »on cliien en —, zijn hond aan een touw, riem hebben: fig. inener qn. en —, iem. aan den leiband houden, met hem doen wat men wil; —, couplet van een oud-Fransch heldendicht; oeveraanwas, kwelder; drooggevallen land of strand; —»e», —»ée», pl. f. drek van wolven, wilde zwijnen enz., m.; —»er, v. a. (lat. 1 a x a r e, ls\cher) laten, teruglaten; overlaten; achterlaten, verlaten, nalaten, verzuimen; toelaten; il y a a prendre et a —, er is goed en slecht onder; eest a prendre ou a —, ge

24 •