is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

prendre In — de qn., zeggen wat een ander zegt; prendre —, navorschen, inlichtingen inwinnnen; prendre — avec qn., met iem. iets bespreken; se niordre la —, zich nog juist inhouden; se mordre In — d'nvoir parlê, berouw hebben over zijn spreken; je l'ni sur Ie bout de In —, het ligt mij op de tong;

■ «« — ■«« Hiiiirnr. ik. iieu iiiij vm spruiten; — d'aspir, de vipêre, de serpent, — etnpoisonnêe, fig. lastertong, schendtong, v.; il n'est pas inaitre de sn —, hij kan niet zwijgen; prov. qui — n n Rome vn, met vragen komt

men ie uume; — nicre, oorspronKenjKe taai; — inaternelle. moedertaal, taal des lands; — verte, jargon, argot, dieventaal; inaitre de —, taalmeester; — de terre, landtong; — de voile, geer, tong, stootlap; — gué, ée, a. met uitgestoken tong van andere kleur dan het dier (wapenk.); — gue-de-boeuf, f. ossetong, v. (plant); spade, steekijzer; —gue-de-eliat, f. voiken (plant); — guet te, f. tongetje; tong, klep; randlijst, v.; puntje, tandje (inz. aan vrouwenkledingstukken); —gueur, f. (lat. langor; de languere, languir) machteloosheid, kwijning, verzwakking, v.; het smachten; neerslachtigheid, v.; — s, pl. — de l'aniour, smarten der liefde, v.

Langue||yer, v. a. varkens schouwen; — yeur, m. varkensschouwer.

Langujer, m. gerookte varkenstong, v.

Languir, v. n. (lat. languere) kwijnen, verkwijnen, wegkwijnen; smachten, versmachten; verllauwen; — d'ennui, van verveling

vcigaau. ^

Laiiguisjjsaimneiit. adv. kwijnend, op kwijnende wijze; —sant, ante, a. kwijnend, ziekelijk, zwak; smachtend.

Lanice, a. f. bourre —, scheerkaardwol, v.

Lanier, m. steenvalk, m.

Lanière, f. riem; lederen riem der marskramers, m.

ijamirie. a. (ïai. lana, laine; lerre, porter) wollig, woldragend.

Laiiiste.' m. vechtmeester (bij de Romei-

i1gu ).

Lans, m. gier, welken het schip maakt, m. Lnnsne. m. soort van herfstpeer, v. Laiisqueiiet, m. (all. land, pays; knecht, serviteur) lanskenet (zeker oud kansspel met kaarten); oudtijds: Duitsche voetknecht.

Laiitnnn, Lantanier, m. waaierpalmboom. lataanboom, m.

Lanter, Leuter, v. a. koperwerk drijven. Lnnter||ue, f. (lat. lanterna) lantaren of

unjiwici, upen vureiuje; — sourde, dievenlantaren, v.; — mngiqne, tooverlantaren, v.; — vénitieiiiie, lampion; — de inoiilin, drijfwiel in een molen; — n gargousse, kardoeskokert m.; — a initraille, schrootbus, m.; mettre a la —. aan de lantaarn ophangen; m la —! aan de lantaarn! hangt hem op! fète des —s, lantaarnfeest (in China); faire rroire a qn. que les vessies sont des —8, iem. knollen voor citroenen verkoopen; —s, pl. Hg. fam. ijdele praat, m.; onnut geklap; conter des —s, zotteklap vertellen; — de eoloinbier, duiventil, v. op een paal; — neau, m. klein torentje; kleine traplantaren, v.; klein wegje of kade, v. (in de zoutmakerijen); —ner, v. n. talmen, dralen, lanterfanten; v. a. fam. door zottepraat vervelen; voor den gek houden; ophangen aan een lantarenpaal; — nerie, f. fam. besluiteloosheid, talmerij, v.; beuzelpraat,

zotte praat, m.; —nier, m. lantaarnopsteker; lantaarnmaker; fig. fam. talmer; windbuil, m.; —non. m. kleine lantaren, v.

Lantipon nage. m. fam. zotte praat, m.; malle kuren, v.; —ner, v. n. et a. fam. met zotte praat vervelen.

Lanture, Lentiire, f. gedreven koperwerk.

Lüiituiiu, Laiiturelii, int. fam. spotachtige weigering, v.; ons larifari (geloove wie 't wil); —, m. lanterlu (zeker kaartspel); klaverenboer in dit spel; fam. heethoofd.

Lanugineux, euse, a. wollig (van vruchten b.v.).

Lanatliine. f. bittere stof uit. den znrion¬

getrokken, v.

Laper, v. n. (onomatopée) slobberen, slurpen, lepperen.

Lapereau, m. jong konijntje.

Lapijl daire, a. (lat. lapis, la pi dis, pierre) steenen betrelFend; style —, stijl der inschriften op marmer en steen; lig. korte, bondige stijl, m.; m. steensnijder, diamantslijper; handelaar in edelgesteenten; (in de middeleeuwen:) verhandeling over de edelgesteenten, v.; slijpmachine der horlogemakers; —dation, f. st'eeniging, v.; —der, v. a. (lat. lapis, lapidis, pierre) steenigen; — diHcation, f. versteening, v.; — dilter, v. a. versteenen; — dittque, a. steenig; versteenend, steen makend.

Lapillo, m. lava-gruis, vulkanische asch, v. (plur. lapilli).

Laüpin. m. konijn; — de garenne, wild konijn; — de elapier. de etiou, tam konijn; terrier de —, konijnenhol; —, medeleerling; flinke kerel; fig. mi vieux —, een oude rot: propre roiiuue un —, keurig netjes; joyenx —, gezellige kerel: en —. naast den 'knetsiHi-

gezeten; —pine, f. wijfje van een konijn, voedster; —pinière, f. konijnenberg, m.

Lapis (pr. piee), Lapis-lazuli, m. (lat. lapis, pierre) azuur- of lazuursteen, m. Laoon. onne. a. Lanlandsch: m. «t f. T.:tn.

lander, Laplandsche vrouw.

Laps (pr. Inpse), m. (lat. lapsus, écóulement) — de tenips, verloop van tijd, m.

Laps et relaps, a. (lat. lapsus, tombé, glissé) dubbel afvallig (van den godsdienst).

Lapsus (pr. sure), m. (mot. lat.) vergissing, fout, v.; — ealaini, schrijlTout.

Laquais, m. lijfknecht, lakei.

Lallque, f. (persan lak) lak; laqne, m. Chineesch lakvernis: m. nl. lak waren: -nmn

v. a. lakken, vernissen.

Laquelle, zie Lequel.

fLaqucton, m. fam. kleine lakei.

Laqué ux. euse. a. lakachtig, lakkleurig. Laraire, m. tempeltje voor de huisgoden. Larbin. m. (arg.) lakei.

Larbiné, m. dandy.

Larcin. m. (lat. latrnr.ininmt dipfafal m •

fig. letterdieverij, v.; — nmoureux, doux —, gestolen kusje.

Lar||d, m. (lat. lardum) spek; omelette au —, spekpannekoek, m.; venir eomiiie — «ux pois, juist van pas komen; vilain rouiine — jaune, aartsgierig; faire du —, fam. vet worden (in luiheid); een gat in den dag slapen; sauver sou —, zijn lijf bergen; matiger Ie —, de partij winnen; de schuldige zijn; pierre de —, speksteen; —dage. m. lardêering, v.; het lardeeren; —der, v. a. spekken, lardeeren; — qn. de eoups d'épée, iem. met degenstooten doorboren; — qn. d'épigra mines,