Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«

Lcguer, v. a. (lat. legare; de lex, legis, loi) bij uitersten wil vermaken, legateeren.

Lcgume, m. (lat. legumen) moeskruid, groente, v.; f.im. gros —s? de hoofdofficieren (bij de soldaten); —mier, iere, a. de groenten betreffend; culture — mière, groenteteelt; m.; m. groenteschaal; — nihieui, euse. a. tot de peulvruchten behoorend; les -iniiicuscN. f. pl. de peulgewassen; — iiii(iii)foruie, a. peulachtig; —miste, m. warmoezier; vegetariër.

Lemiiie, m. lemma, voorloopige of hulpstelling, waaruit eene volgende stelling bewezen wordt, v.

Lemming, m. Noordsche bergrot, v.

Lemnisque, f. koraaladder, v.; zijden snoer aan diplomatische zegels.

Leniure, m. spook, geest van een gestorvene.

Lcinuriens, m. pl. geslacht der maki's (apen).

Lendeniaiii, m. de volgende dag; le — de we» nores, daags na zijne bruilofc; du jour au —, in een ommezien.

Lendit, m. (pour 1'e n d i t; endit = lat. i n di ctum) oudtijds: jaarmarkt te Saint-Denis bij Parijs; thans: — Hcolaire, gymnastiekwedstrijd tusschen de leerlingen der lycées.

Lendore, m. fam. vadzig mensch, luiaard, lamlendige.

Lenilier, v. a. (lat. lenis, doux; facere, faire) lenigen; verzachten; fig. troosten, opbeuren.

Lénité, f. toegeeflijkheid, zachtheid, v.

Lcnitif, m. verzachtend middel.

Lent, ente, a. (lat. lentus) langzaam, traag.

Lente, f. neet (van luizen), v.

Len! temen t, adv. langzaam, tragelijk; — teur, f. traagheid, langzaamheid, v.

Lenti||culaire. — ferme, —culé, ée, a. linsvormig, lensvormig.

Leiitigineux, enne, a. zomersproetig.

LeiitilHIe, f. (lat. lenticula) lins, v. (peulvrucht); lens, v. (glas, dat op de wijze eener lins geslepen is); pl. sproeten, zomervlekken, v.; — d'eati, eendenkroos (plant, die op stil water drijft en waarvan de eenden veel houden); —leux, euse. a. sproetig, met zomervlekken; —Ion, m. linze met fijn zaad (lentille a Ia reine).

Lentisque. m. mastikboom, m.

Lento, adv. langzaam (in de muziek).

Lconides, f. pl. vallende sterren, v.

Leoiiin. ine, a. (lat. leo. leonis, lion) leeuwachtig, leeuwsch; socicte —e, maatschappij, in welke de sterkste alles wegneemt, v.; ver» —s, versus leoni, of leonische verzen, waarvan het midden en het einde rijmklanken heeft; rime —e, rijm, waarbij twee en soms drie lettergrepen gelijk zijn.

Léontine, f. ketting aan een dameshorloge? m.

Leonure, ou iii 'onures, m. leeuwenstaart, m. (plant) (queue-de-lioii).

Leopard, m. (lat. leopardus) luipaard, m.

Lepas (pr. pare), m. lepas of patella, groote mosselschelp, v.

Lépidier, m. tuinkers, v.

Lepidoptcres, m. pl. (gr. lepis, lepidos, écaille; pteron, aile) stofvleugelige insecten, vlinders, kapellen.

Lêpre,f.(lat. lepra) melaatschheid,schurft,v.

Lépreux, euse, a. melaatsch; m. et f. melaatsche.

Leprozerie, f. huis voor melaatschen, leprozenhuis, lazarushuis.

Lepte, m. (gr. leptos, mince) zespootige mijt, v.

Leptologie, f. sierlijke spreekwijze, v.

Lequel, laquelle, pr. rel. et int. dewelke, welke, die, degene; wie, welk, wat.

Lérot, m. eikelmuis, v.

Le», art. pl. de; pron. pers. hen, haar, zo, dezelve.

Lêse, a. f. (lat. la}sus, blessé) beleedigd; gebruikt in samenstellingen als: —ma|este. majesteitsschennis; crime de —iiation,*hoogverraad jegens de natie.

Leser, v. a. (lat. lïedere, blesser) beschadigen, kwetsen, wonden; beleedigen.

Le || sine, f. verregaande karigheid of gierigheid, v.: —ner, v. n. op eene verregaande wijze karig of gierig zijn; —nerie, f. vrekkige daad. karige, gierige leefwijs, v.; —neur, —iieux. euse, a. buitengewoon karig, gierig; m. buitengemeen karig, krenterig man.

Lêsion, f. (lat. laasio; de laedere, blesser) beschadiging, kwetsing; beleediging, v.

Lesquels, Lesquelles, pr. rel. et int. welke, dewelke (pl. de lequel, laquelle).

hfssif, zie Lessive.

Lessi||vage, m. het loogen; —ve, f. (lat. lixivia) loog, y.; loogwater; wasch, v.; fig. tam. groot verlies in het spel; groot verlies (in zaken); faire Ia —, de wasch doen; fig. zijn boeltje opmaken, verkoopen; — ve-mére, f. moederloog, v.; —ver, v. a. met loogwater wasschen; in de wasch doen; (arg.) verkoopen: —veur, m. euse, f. wasscher, waschster; (arg.) advocaat; m. toestel om lompen te bleeken; —euse, f. waschmachine, v.

Lest (pr. léste), m. (all. last, charge) ballast, m.; aller en —, sur son —, alleen met ballast (zonder lading) varen; partir, revenir sur sou —, vertrekken, terugkeeren zonder den ballast door lading vervangen te hebben.

Lestage, m. het laden van ballast.

Lesjte, a. (ital. lesto) vlug, behendig, handig; licht, luchtig, vlug gekleed; onbezonnen; lichtzinnig; — teineiit, adv. op vlugge, losse wijze; onbezonnen; lichtzinnig; —ter, v. a. ballasten, van ballast voorzien; fig. et fam. we bien —, zich goed den buik vullen; —teur. m. ballaststuwer (man die ballast in een schip laadt); ballastschuit, v.

Lethar gie, f. (gr. lêthê, oubli; argos, inactif) slaapzucht, slaapziekte, v.; fig. ongevoeligheid, traagheid, v.; — gique. a. slaapzuchtig» traag; m. et f. slaapzuchtige.

Lctliifère, a. (lat. letifer; letum, mort; ferre, porter) doodaanbrengend, doodelijk; —, m. slang, adder, v. wier beet of venijn doodelijk is.

Lettre, f. (lat. littera) letter v.; brief, m.;

— initiale — majiisrule ou grande —, kapitale of hoofdletter; — minuscule, kleine letter;

— initiale, beginletter; en toutes —s, voluit: dire, eerire une cliwse en toutes —s, eene zaak zonder iets te verzwijgen zeggen, schrijven; lever la —, de letters opnemen uit de letterkas; cpreuve avant la —, eerste afdruk eener plaat (vóór het ingritfen van het onderschrift getrokken); ajouter a In —, nider a la aan een geschrift iets toevoegen om den zin

Sluiten