is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*•» H«er, v. a. magnetische kracht aan een lichaam mededeelen; kuur of genezing door middel van den zeilsteen of magneet verrichten, magnetiseren; fig. een grooten invloed op iem. uitoefenen; —tiseur, m. euse, f. magnetiseerder,

-st.p.r- —(iump m >n O rrnn* ; r.V. „f 4 1_1 j

' »'»8ucu8<,ue ui iuumeKKenae |

kracht, kracht van den magneet of zeilsteen, v., i magnetismus; -toélertriritê, f. magnetische i electnciteit, v.

Magni float (pr. mag-ni-fi-cate), m. lofzang, m. ter eere van Maria; loc. prov. entonncr 1 (clianter) Ie Magnificat a matines, iets op een onfffilpxrpn tnH dnon ■ « c ■ z

, ,"1C?.P— —Iiiriur, 1. uracui,

heerlijkheid, v.; vrijgevigheid, v.; -lier, v. a. prijzen, roemen, verheerlijken; — ftque, a. (lat. magnificus; de magnus, grand et facere, faire) prachtig, heerlijk, kostbaar; fig. hoogdravend, verheven; —ftqueineiit, adv. met pracht, heerlijk.

Magiiolier ou Magnolia (pr. mag-iio), m. magnolia, v. (prachtige boom met roosvormige bloemen).

Magnote, f. naam der marmot bij de Alpenbewoners.

Magot,, m. groote aap, m.;leelijke, mismaakte nguur, Chineesche pop van porcelein; fig. fam. verborgen schat; leelijk man; vette spaarpot, m.; se faire un bon —, een' goeden spaarpot maken.

Magyar, m. Magyaar, stamnaam der Hongaren.

Mahagoni, m. mahoniehout.

Mahaleb, m. weichselboom, m.

•■niiruiif. ra. Krijgsknecht; Protestantsche soldaat ten tijde der Ligue.

Mahomé||tan, m. ane, f. mahomedaansche man of vrouw; a. mahomedaansch; -tistne. —tanisme, m. mahomedaansch geloof, godsdienstleer van Mahomet.

Ma hout. m. geleider van een' olifant, kornak.

Maf, m. (lat. maius) Mei, meimaand, bloeim55n5lv'» ~' ou arbre de —, meiboom, m.

Maidan, m. marktvlek in het Oosten.

Male, f. lekkist, v.; baktrog, m.

fMaïeur, m. burgemeester (zie Maire).

Maijlgre, a. (lat. ma eer) mager; fig. dor, schraal, mager, gering; Jour —, vastendag, bij de Roomschen; faire — visage, — réception a qn., iem. schraal ontvangen; — eau, ondiep water; faire — ehêre, een' soberen maaltijd houden; 1 ordinaire est — auiourd'lmi, wij eten vandaag niet veel bijzonders; —, m. het

—magci vioc&uii; vastenspijs; waterarme plaats (in eene rivier), v.; faire — matiger —, geen vleesch eten; —grelet' —gret, ette, a. fam. magertjes, schraaltjes:

grement, adv. fig. fam. mager, spaarzaam, schraal; —gret, ette, a. zie Maigrelet; —greu r. f. magerheid, schraalheid, v.; — grichon. onne, a. een weinig mager; —griot, otte,' a. mager; —grir, v. n. mager worden, vermageren: v. a. magerder, dunner doen schijnen.

Mail, m. malie, houten kolf, waarmede men in de maliebaan slaat, v.;maliespel; maliebaan, v.; bij uitbreiding: openbare wandelplaats, v.; —, strijdhamer; smidshamer, m.

Mail||Ie, f. (lat. macula, quisignifiebouclé et t a c h e)steek (van brei werk),m.; maas (van netten),^; malie, v.(ijzeren ringetjes, waarmede men een wapenrok voert); schakel, v.; schalm, m. (van een ketting); mergstraal, m. (in 't hout); opening of ruimte tusschen de inhouten van een schip, v.; vlek in bet oog, v.; vlek op de vecren der patrijzen,

v.; (vroeger:) kleine koperen munt, v.; il y a une — rompue a votre ba», er is een stock los aan uwe kous; reprendre, re Ie ver une — een steek opnemen; cotte de -s, pantserrok, maliënkolder, m.; niet a grande» —s, net met groote mazen; il n'a ni hou ni —, hij heeft geen rooden duit; il» ont toujours — a partir

(■nucmKIo .u::j • i

*ij iicuucii «iiuju oneenigneiü; uii pinee—, een gierigaard; — Ié, ée, part. et a. uit maliën, mazen bestaande; gevlekt, gespikkeld: «er —« ijzeren tralie van een glasraam, v.; —Ié.' m. netwerk; —lechort, m. argentaan, nieuwZlii6ri (menosel allieersel van koper, zink en nikkel); —Ier, v.a. met een malierok wapenenbreien; mazen in een net maken; met een' hamer bekloppen; se —, v. pr. bonte vlekken krijgen (van patrijzen); —let, m. (rad. mail) houten hamer, m.; - de calfat, m. kalfaathamer, m.; — a glare, ijsbreker; —letage. m bespijkering van de kiel eens schips, v.; bespijkerde kiel van een schip, v.; — leter, v.a. de kiel van een schip bespijkeren; —leur, m. nettenfier; draadvlechter; -lier, m. maliënmaker; —lorne, f. beukhamer, m.; — loir, m. klopsteen, m. (om het linnen op uit te kloppen); —Ion m. kleine maas; kleine schakel, schalm; schuifknoop, sliersteek, schuifsteek, m.; —lot, m. luier of luur, feitel, v.; nauwsluitende vleeschkleurige broek der danseressen in een ballet; enfant en —, au —, bakerkindje, zuigeling; — lotin, m. strijdhamer, m.; olijvenpers, v.; -"««•e, f- spikkeling bonte vlekken der valken, v. Mam, f. (lat. manus), hand, v.; handschrift;

»«wiucmiu, vii ck un nei spel), m.; Doek papier; poot of klauw der valken enz.; haak, m.; groote zijden kwast, m. of koord, v. (in eene koets); rank aan een wijnstok, v.; pa» plu» que »ur la —, volstrekt niets; de ceri a rela, il n'y a que la —, tusschen deze twee zaken is een nauw verband; porter la — sur, zich meester maken van . . ; nomine de —, man, die doorzet: des gens de —. kloeks. vasthoraHon

; mettre l'épée a la —, den degen trekken:

r . ' —t« >n —, non uegen ireKKen;

laire — baN»e, neersabelen, over de klinar iacren Dlunderen: Imiro un 7nnQ '

i ~ - — 7 ~ * "yw ov.ucMi|jjc» tscueieii;

nautla — met veel gezag; zonder moeite: geheel en al; avoir la liaute —, het gezag in handen hebben; tenir la — haute a qn., iem. zijn gezag doen gevoelen; en un tour de , in een oogenblik; hous—, in het geheim:

moiim ia — nlo lu i„ i j._.

; juontrf, in iiuuumi < van ue

justitie): fig. «Her, niarcher bride en —,

1: u L ?L hmmi en in zijne macht hfthhf.n* tnt vüno wni.ii,i.:

- "«-Ö^uiiviviii^ neuuen;

— cliaude, f. handje plak of klap; de — en van hand tot hand; de In — a la direct, zonder tusschenpersoon; coup <le —, waagstuk, stout bestaan; prendre en — Icm interèta. la raiise de qn., iemands belangen, iemands zaak behartigen, handhaven, op zich nemen • morrean a deux, a quatre -h, muziekstuk voor twee, voor vier handen; lever In - de vingers opsteken, zweren, een eed doen; dreigen te slaan; venir de bonne van goeder hand komen, uit goede bron komen; fig. tendre la —, de hand ophouden, bedelen; fig. dunner la —, de hand reiken, helpen: par lieree, door of uit de derde hand; il a une bonne —, hij schrijft eene goede hand; avoir la — legere, ét re leger de la behendig, handig zijn; mettre la — sur qn., qcli., de hand aan iemand leggen; iets aangrijpen, vatten; fig. rorcer In dwingen, noodzaken; fig. avoir Ie»