is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijd, m.; (dichterl.:) jaar; — soimer, v. a. et n. oogsten, inoogsten; lig. afmaaien, wegrukken;

— des laurier*, lauweren plukken, roem verwerven; —sonneur, m. euse, f. korenmaaier, -maaister; —euse, f. maaimachine, v.

Moijlte, a. klam: —teur, f. klamheid, v.

Moitic, f. (lat. medietas) helft, v.; fam. wederhelft, vrouw; eet homilie est — eliair,

— poisson, deze man is half vleesch, half viscn, heeft weinig karakter; — plus, anderhalf maal zooveel; ètre de — «vee qn., met iem. samendoen, winst en verlies gelijkelijk deelen; lig. ètre de —, deelnemen; adv. a —, half, ten halve.

Moitir, v. a. licht bevochtigen; se —, v. pr. vochtig worden.

Moka, Moe», m. moka of Arabische koffie, v.

Mol, Mou, Mol Ie, a. week, slap, los.

Molaire, a. (lat. mola, meule a moudre) dent — ou f. kies, v., baktand, m.

Molrtw.se, f. zekere kalksteen, m.

Molda ve, Molda vique, a. van of uit Moldavië.

Móle, m. (lat. moles, masse énorme) havendam, steenen beer, m., hoofd; (lat. mola) maankalf, wanvrucht, v.

Moleculaire, a. tot de moleculen behoorend;

— Ie, f. zeer klein deeltje van een lichaam.

Molène, f. wolkruid.

Möler, v. n. vóór den wind, met vollen wind zeilen.

Moleskine, Molesquiiie, f. zwart meubelpluche; dikke stof voor manskieeren.

MoleM||tatioii, f. overlast, hinder, m.; —Ier, v. a. (lat. molestus, importun) kwellen, overlast, verdriet aandoen, molesteeren.

Molctte, f. schilderswrijfsteen of looper, m.; draaispoel van een' lintwerker enz., v.; wen, v. (aan den enkel van een paard); kol (voor het

iiouiu van een paaraj, v.; — <<■ cperoii), spoorradertje; seie a —s, cirkelzaag, v.

Molière, Mollicre, f. groeve, waaruit de molensteenen gehaald worden, v.; terre —, leemige vette aarde, v.

Molié||resque, a. op Molière betrekking hebbend; —riste, m. kenner, bestudeerder van Molière.

Molinis||ine, m. molinismus (leer van Molina over de genade); —te, m. molinist, aanhanger van Molina's leer.

Moliiiosisuie, m. Molinosismus, leer van den Spaanschen priester Molinas.

Molla(li), m. Turksche geleerde, priester.

Mollasse, a. weekachtig, slap; —m. pl. straaldieren met geleiachtig lichaam.

Molülemeiit, adv. zacht, week, slap; fig. weekelijk, op verwijfde wijze; lafhartig; —lease, f. (lat. mollis, mou) weekheid, slapheid, v.; fig. weekelijkheid. verwijfdheid, lafhartigheid, v.: zachtheid, fijnheid, v. (in de schilderkunst); —let. ette, a. week, teer, zacht; lit —, zacht, donzig bed; «eufs —a, zeer zachte eieren; pain —, zacht wittebroodje; —, m. kuit (van het been), v.; kleine franje, v.; — letière, f. leeren slobkous, v. (der Fr. infanteristen); —leton. m. molton, dikke wollen stof, v.

Molülilieatioii, f. verweeking, verdunning, v.; — lilier, v. a. week maken, verzachten; verdunnen; —lir, v. n. murw, week worden; moede worden; lig. te licht toegeven, slap te werk gaan, wijken; v. a. (een eindje touw) vieren, afvieren; het roer laten zakken.

Molluaquea, m. pl. (lat. mollis, mou) weekdieren, wormdieren; zeewormen, m.

Molosse, m. versvoet van drie lange lettergrepen, m.; groote(waak)hond; hondsvleermuis, v. (van Amerika).

Moly. m. zeker tooverkruid.

Moly I»||date, a. nel —, molybdeenzuurzout; —dène, m. waterlood, molybdeen; —deux, euse, a. oxyde —, eerste molybdeenoxyde: —dique, a. aeide —, molybdeenzuur, waterloodzuur.

Moine, m. pop. kind; straatjongen.

Mouieiillt, m. (lat. momentu m) oogenblik: a tont —. adv. elk oogenblik; il peut venir d'un — a 1'autre, hij kan elk oogenblik komen; du — que, zoodra, sedert; daar immers; du — que vouw l'approuvez, je n'ai rieu a dire, daar gij 't immers goed vindt, heb ik niets te zeggen; — psyeliologique, beslissend oogenblik; —tané, ee, a. oogenblikkelijk, kortstondig; —tauément, adv. voor een oogenblik. kortstondig.

Moinerie, f. -j-mommerij, mascarade, v.; veinzerij, v.; zotte ceremonie of gewoonte, v.

Mo||iikie. f. (ar. mumia) gebalsemd lijk, mummie, v.; haume —, aardpek, asphiilt: —miliration, f. mummiebereiding, v.; fig.groote vermagering, v.; —milier, v. a. tot mummie maken; v. n. zoo mager als eene mummie worden.

Moinigiiard, m. arde, f. Momirliard, m. arde, f. pop. jongetje, klein meisje.

Mojlmoii, m. soort van maskerdins met dobbelspel, m.; uitnoodiging van een gemaskerd persoon tot het dobbelspel, v.; inzet in zoo'n dobbelspel, m.; eouvrir Ie —, eene gelijke som zetten (in een dobbelspel met een gemaskerde»; fig. weerstaan, opwegen tegen; —ïniia, m. god der spotternij, momus, m.; vroolijk lied; fig. berisper. spotter.

Moii, ma, pr. poss. mijn, mijne.

Mon, mono (gr. monos, *un seul) voorvoegsel dat een enkel beteekent.

Mona cal. ale, a. (lat. mon achus, moine) monniks-, dat van een monnik is; —ealement, adv. monnikachtig, op de wijze der monniken: —eliiame (nr. rliisine). m. (lat. monii-

c h u s, moine) monnikenstand, m.; monnikendom.

Monaeo. m. in Monaco geslagen geld; niet gangbare sou, v.; avoir des —s, geld hebben.

Monade, f. (gr. mon as. unité) eenheid, v.: enkelvoudig wezen (in de bovennatuurkunde).

Monade!üplie, a. eenbroederig; —pliie, f. eenbroederige planten, zestiende soort der plangewassen, v.

Moiiagaaque, Moiiégasque, a. van of uit Monaco; m. et f. inwoner, inwoonster van Monaco.

Monaii||dre, a. monandrisch, met slechts één meeldraad; —drie, f. éénhelmigen, eerste klasse van planten met één meeldraad, v.; —drique, a. met éénhelmige bloemen.

Monar||eliie, f. (préf. mon et gr. archein, commander) eenhoofdige regeering, monarchie, v.; —chique, a. eenheerschend, eenhoofdig, monarchaal; —eliiquement, adv. op eene alleenheerschende of monarchale wijze, eenhoofdig; —eliisme, m. stelsel der alleenheerschappij; —ehiste, m. koningsgezinde; a. koningsgezind: —que, m. (préf. mon et gr. are hos, chef) alleenheerscher, vorst, monarch.

Monaslltcre, m. (lat. monasterium) klooster; —tique, a. kloostersch, kloosterachtig.

Monaut, a. m. éénoorig.

Moiieeau, m.(lat. monticellus, petitmont> hoop, klomp, m.