Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mondain, aiuc, a. (lat. mundus, monde) wereldsch; m. et f. wereldsche man of vrouw, wereldling; — dainement, adv. naar den loop der wereld, op wereldsche wijze; — dauité, f. wcreldscbgezindheid, ijdelheid, v.

Mon I! de. m. (lat. mundus) wereld, v.; lieden; volk; huisgenooten, m.; fig. fam. groote menigte, v.; mettre au —, ter wereld brengen; venir au —, geboren worden, ter wereld komen; <le par Ie —, ergens ter wereld; pa» Ie nioins du —, in 't minst niet; ctre Ie uiieu* du — avec qn., zeer goede vrienden, zeer innig met iemand zijn; Ie tour du —, de reis om de wereld: ce bus —, dit ondermaansche: Ie — ancien, l'aiicieii —, de oude wereld; Ie nouveau —, de nieuwe wereld; de quel — venez-vouH? hoe is 't mogelijk dat gij dat niet weet; Ie — ren versé, de verkeerde wereld; du —, menschen; y avait-il beaiicoup de —, waren er veel menschen? was 't vol? mi — fou, ontzaglijk veel menschen; II y a du — ehez lui, II a du —, il est avee du —, hij heeft menschen bij zich, hij heeft bezoek; iious aurons du —, wij krijgen menschen, bezoek; avoir du —, gasten, visite hebben; Ie demi—, de zoogenoemde elegante wereld van 't tweede keizerrijk (uit heeren en dames van verdachte reputatie bestaande); Ie grand —, de lieden van aanzien, de grooten, de aanzienlijke lieden; Ie beau —, de fijne, elegante gezelschappen; Ie petit —, de burgerstand; Ie — sa vont. de geleerde wereld; tout Ie —, iedereen, de geheele wereld; tout 111011 —, mijne lieele familie; Ie train du —, de loop der wereld; il a du il sait sou —, il sait bien Ie —, hij kent zijn wereld; —de, a. (lat. mundus) rein (in den BiiheL van dieren sorekend): —der.

v. a. (lat. m u nda re) pellen, schellen of schillen, de schil afdoen; orge monde, gepelde gerst.

Mondij|cité, f. zuiverheid, v.; — ficatif, ive, a. zuiverend, reinigend; —lier,v.a.zuiveren, reinigen.

Mondrain, m. klein bergje aan de zeekust, zandbergje.

Moncgasque, a. zie Monagasque.

Moiié||taire, m. (lat. moneta, monnaie) ^muntmeester; —, a. de munten betreffend; crise —, geldcrisis; — tisation, f. het slaan van munten; —tiser, v. a. tot munt maken, de waarde van klinkende munt geven.

Mongol, e, Mongolique, a. Mongoolse!»; la raee — e, het Mongoolsche ras.

illoiiiillaire, a. rozenkransvormig; — lifere, a. een rozenkrans dragend (in de plantk.); — lirorine, a. rozenkransvormig (plantk.).

Moni Iteur, m. (lat. monitor; de mon ere, avertir) leerling, die op school jongere leerlingen helpt; titel van sommige dagbladen; vermaner, waarschuwer; voorwerker (bij gymnastiekoefeningen); — des tirages, trekkingslijst; —tion, f. gerechtelijke of kerkelijke vermaning, v.: — toire, m. et a. lettre —, f. kerkelijke waarschuwingsbrief, m.; —tor, m. monitor, m. (pantserschip met een toren); — torial, e, a. in den vorm van een' vermaningsbrief.

Monna!|ie, f. (lat. moneta) munt, v.; klein geld; — Mduciaire. papier —, papiergeld; — imaginaire, — de coinpte, rekenmunt: hattre —, munten, geld slaan; fig. zich geld verschaffen; doiinez-moi la — de eette piéce, wisse! mij dat geldstuk; fig. rendre a qn. la — de mh piéee, payer qn. en luème —, iem. met gelijke munt 'betalen; (hotel de) la —, de Munt; payer qn. en — de singe, iem. met gek-

kernijen wegzenden; — du pape, judaspenning, m. (plant); —yage, m. munting, v.; het munt slaan; — yer, v. a. munten, munt slaan; —yére, f. penningkruid; —yeur, m. munter, hij die munt slaat; faux —, valsche munter.

Mono, zie Mon.

Monoliearpe, a. met ééne vrucht; —carpellaire, a. uit één vak bestaande (vrucht); —eépliale, a. éénhoofdig.

Monochromatique, Monochrome (pr.kro), a. (préf. mono et gr. chroma, couleur) eenkleurig; m. éénkleurig schilderij.

Monocle,m.(préf.mono et lat.oculus,ceil) vergrootglas voor één oog: f—, a. met één oog.

Monollcorde, m. (préf. mono et corde) monochordium, toonmeter, m.; — cotylédone, —cotylédoné, —cotylédonée, a. (pref. mono et cotylédon) met eénlobbig zaad; —cotylédone, —cotylédonée, f.éénzaadlobbige plant, v.; —culaire. a. eenoogig; —cule, m. oogband, m.; vergrootglas; — culiste, m. eenoog, m.; —dactyle, a. eenvingerig, eenteenig.

Moncecie (pr. é), f. eenhuizige planten, eenentwintigste klasse der planten, v.

Monoga ||ine, a. et m. ou f. (hij of zij) die slechts één maal gehuwd geweest is; —mie, f. eenvoudig huwelijk, eenmannerij, eenwijverij, v.; plantenklasse met enkelvoudige bloemen.

Monogramüinatique, a. het monogram of naamcijfer betreffend, monogrammatisch; —me, m. (préf. mono et gr. gram ma, lettre) naamcijfer, monogram.

MonoHgraphie, f.(préf. mono et gr. gr aphó, je décris) monographie, verhandeling over een enkel of bijzonder onderwerp, v.; — graphique, a. tot eene monographie behoorend.

.110110 ut% ». eeuw ij vig, ccuai.ijiig, —,

f. eenstijligen, eenwijvigen, eerste orde van de dertiende klasse der planten, v.; —ïque, a. eenhuizig; f. eenhuizige plant, v.; tweeslachtig dier; —litlie, a.etm. (préf. mono et gr. lithos, pierre) (kunstvoorwerp) uit één blok steen; —logue, m. alleenspraak, v.; 7—inacliie, f. godsoordeel door een tweegevecht.

Moiiouiallne, a. met monomanie behept; m. monomaan; —nie, f. (préf. mono et manie) de op één voorwerp, één denkbeeld gerichte waanzin, m.

Monóme, m. (préf. mon et gr. nomc, distribution) uitdrukking uit slechts één lid bestaande, v. (in de algebra); optocht, m. lange rij, v. (van scholieren b.v.).

Mono metre. a. et m. (gedicht) diit slechts uit één maat bestaat; —pétale, a.(préf. mono et pétale) met één bloemblad; —pliylle (pr. Il-le), a. eeubladerig; —pode. eenvoetig; m. tafel met één voet, v.; —pole, m. (préf. mono et gr. po lei n, vendre) alleenhandel, m.; voorrecht, om iets alleen te verkoopen; 7—poler. v. n. opkoopen; — poleur. m. opkooper, alleenhandelaar, monopolist; — poliser, v. a. tot een monopolie maken; v. n. alleenhandel drijven.

Monoptcre. a.(gr. monos, seul, etpteron, aile)éénvieugelig; één vinnig; temple —, et —, in. ronde, op één zuilenrij rustende tempel, m.

Monorime, a. met slechts één rijm; m. eenrijmig gedicht.

Mónosépale, a. met één kelkblad.

Moiiosperme, a. éénzadig.

Monostique. m. éénregelig vers.

Monosyllabe, a.(préf. mono et syllabe) eenlettergrepig; m. woord van ééne lettergreep; —lahique, a. eenlettergrepig.

Sluiten