Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mugueter, v. a. fam. den saletjonker spelen; yergens op loeren.

vMuid, m. (lat. modius, mesure) mud of mudde, v. (oude Fransche inhoudsmaat); okshoofd, vat, ton, v. (van den inhoud van een mud).

Muire, f. zout water uit eene zoutbron.

Mulat* mp, f.jong muildier; jonge muilezel, m.; —wier, iêre, a. muildier..., muilezel... (in samenst.); indu»trie — »icre, f. muildierteelt.

Mulatre, a. et m. f. mulat, mulattin (uit een neger en eene blanke vrouw, of omgekeerd, geboren).

Mule,f. (lat. mulleus) muil, pantoffel, v.;—», pl. winterhielen; —, f. (lat. mula) muilezelin; ferrer la —, duurder aanrekenen dan men gekocht heeft.

MuleIIt, m. (lat. mulus) muilezel, m.; muildier; harder, zeebarbeel (soort van visch), m^ ètre chargé conime un —, beladen zijn als oen muilezel; —, vaartuig op de kust van Portugal; —tier, m. muilezeldrijver; clieuiin —, muilezel pad (te nauw of te steil voor wagens); —ton, m. jonge muilezel, m.; —tte, f. Portugeesche visschersschuit, v.

Mul lette, f. maag der roofvogels, v.

M ii Ion. m. Iiood zout aan den oever der zee, m.

Mulollt, m. (lat. mus, muris, rat) groote

vflHmnitt. v cVh( 11:1 l'lldorilK'lir (Ie — ».

't is een slimme vos, een geslepen vogel, een bedrieger; —ter, v. n. de aarde opwroeten of opgraven.

Miilquinier, m. fabrikant, verkooper van fijn lijnwaad.

Muit, Multi (lat. multum, beaucoup, ou multi, nombreux) (in samenstellingen:) veel.

Multi||colore, a. veelkleurig; —flore, a. veelbloemig; — forme, a. veelvormig, dat vele gedaanten aanneemt; — nóuie, a. met vele nerven, ribben.

Multi||ple, m. (lat. multiplex) veelvoud, zeker getal, dat een ander getal meermalen in zich bevat; a. veelvoudig, veelvuldig; —pliable, a. vermenigvuldigbaar, dat vermenigvuldigd kan worden; —pliant, ante, a.vermenigvuldigend; verre ou —, m. glas, dat de voorwerpen vermenigvuldigt; —plicande, m. vermenigvuldigtal; —plicateur, m. vermenigvuldiger, m.; —plicatif, ive, a. vermenigvuldigend; — pli«•iktinn f. vfirmenisrvuldieinü:. v.: —olieité. f.

veelheid, menigvuldigheid, v.; — plier, v. a. vermenigvuldigen; vermeerderen, v. n. voorttelen; zich vermenigvuldigen; »e —, v. pr. vermenigvuldigd, vermeerderd worden; — tu«le, f. (lat. multitudo) menigte, veelheid, v.; groot rrotrii • fi<r vniw. ffpmftpn! menicte menschen.

schaar, v.; -vahe, a. dat vele schalen of schelpen heeft (van schelpdieren sprekend); —», f. pl. veelschalige schelpdieren.

Muiiici||pal, alc, a. (lat. municipalis; de municipium, rnunicipe) tot een municipium behoorend; gemeentelijk, stedelijk; loi» —pale», gemeentewetten; oflicier» — paux, gemeenteambtenaren; con»eil —pal, gemeenteraad; Ie» (conseiller») -paux, de gemeenteraadsleden; de gemeenteraad; garde — pale, stedelijke wacht, stadswacht; —pal, gemeenteambtenaar; man van de stadswacht; — palement, adv. gemeentelijk; —paliser, v. a. tot eene municipaliteit maken; —palitc, f. raad der gemeente, m., gemeentebestuur, stedelijk bestuur; gemeentegebied; raadhuis.

Municipe, m. (lat. municipium) ltomeinsche vrijstad, v. in 't oude Italië.

MuniNrence, f. (lat. munificentia; de munus, présent; facere, faire) vorstelnke weldadigheid, groote mildheid, edelmoedigheid, v.

Muiiir, v. a. (lat. munire) (de qcli.) voorzien, verzorgen; fig. se — de patience, zich met geduld wapenen; — de» vai»»eaux, schepen uitrusten.

MnifeiII tion, f. krijgsvoorraad, m.; levensbehoefte, v. proviand; pain de —, leger- of kommiesbrood; — » de bouclie (pop. — » de gueule), mondvoorraad, m.; —» navale», scheepsbehoeften, v.; —tioimaire, m. legerbezorger, proviandmeester; — tionner, v. a. van voorraad voorzien, proviandeeren.

Muqiieiix, eu»e, a. (lat. mucosus; de mucus, morve) slijmerig; membranen —eu»e», slijmvliezen; lièvre —eu»e, slijmkoorts, v.; —eu»e, f. slijmvlies.

Mur, m. (lat. murus) muur, wand, m.;

— mitoyeii d'un fouriieau de fonderie, brandmuur; — de face, voor- of buitenmuur, m.;

— «Ie revend, scheidsmuur of binnenmuur, m.;

— d'appui, heining van latwerk, v.; — de clóture, ringmuur; — latéral, zijmuur; dunner de la tète contre un —, het onmogelijke beproeven; mettre qn. au pied du —, iemand in 't nauw brengen; tirer au —, a la

inuraiiie, scneriiitjn legeu icumuu, uiu mcuo doet dan den stoot afkeeren, muurtrekken, blind pareeren; entre quatre —», tusschen de kale muren; ook: in de gevangenis.

Mür, e, a. (lat. maturus) rijp, tijdig; fig. rijp, wel beraden, wijs.

Murage, m. stadsbelasting tot onderhoud der muren; v.; ommuring, v.

Murail Ie, f. muur, wand, m.; wand in eene mijnschacht, m.; ranger contre lategen den muur aan gaan staan, op zijde gaan; il n'y a que Ie» quatre —», geen blind paard kan er schade doen; — leinent, m. metselwerk in een mijnput.

Mural, ale, a. wat op muren betrekking heeft; carte — e, wandkaart, v.; wel —, muurzout; couronne —e, muurkroon, v. (welke de lïoeminen dengene gaven, die 'teerst een muur beklommen had).

Müral, e, a. moerbezievormig.

Mure, f. (lat. morum) moerbezie, v.; — Hauvage, de rouee of de renard, — a poux, braambezie, braam, v.

Mureiiient. adv. fig. rijpelijk, welbedachtelijk.

Murène, f.(lat. muriuna) moeraal, m.(soort van zeeaal).

Murer, v.a. bemuren, met muren omringen; toemetselen.

Mnreraie, f. plantsoen van moeroezjen.

Murct, m. muurtje.

Murex, m. murex, soort van purperslak, v.

Micria 'cite, f. steenzout, zoutsteen, m.; —te, m. (lat. mur ia, saumure) zuurzout, kookzout; —tique, a. zoutzuur.

Murier, m. moerbezieboom, m.; — «nuvage, — de» liaie», wilde braambeziestruik.

Muilrir, v. n. et a. rijp worden, rijpen; rijp maken; Ie »oleil inurit Ie» fruit», de zou maakt de vruchten rijp; — ri»»ant, ante, a. rijpend: rijp makend; rijpwordend.

Murniurant, c, a. murmelend, ruischend, brommend, gonzend.

Muruiii || lateur. m. p. u. muiter, morder, misnoegde; —re, m. (lat. mur mur) gemor, misnoegen, gemompel; gemurmel, geruisch;

Sluiten