Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

flpal —, hoofdschuldenaar; — Keauuiieiit, adv. op verplichtende wijze; refevoirqn. —, iemand beleefd ontvangen; — sceMine, f. beleefdheid, hoffelijkheid, v.; —Krant, ante, u. verplichtend, gedienstig, dienstvaardig, hotrelijk, beleefd: —Rer, v. a. (lat. obligare; de ligare, lier) verbinden, verplichten; noodzaken, dwingen; dienst doen; verpanden: tot leerling aannemen; nbligé nu nervire militaire, dienstplichtig;

r. '|« ii., tui. icto veiumueii:

elkander verplichten.

Obliquangle, a. scheefhoekig.

Uhli jjquc, a. (lat. obliquus) schuin, scheef; fig. verdacht, ongeoorloofd, slinksch; Ie ceicle —, de ecliptica; eas —s, afhankelijke, verbogen naamvallen (alle naamvallen, behalve nominatief en vocatief); liaraiigue —, indirecte rede (oratio obliqua); — quement. adv. schuins, in schuinsche richting; fig. op slinksche wijze;

— V n cnhninc m-jfnKoon^r. . e

scheefte, schuinte, v.; fig. onrechtmatige, slinksche handelwijs, v.

Oblitcüration, f. schriftuitdelging, schriftuitwissching, v.; — des timbres, onbruikbaarmaking der postzegels, het stempelen; —ré, êe, a. bijna uitgewischt, door ouderdom bijna verjaard; onbruikbaar gemaakt, gestempeld; — ter, v. a. (lat. obliterare) (letters of schrift) uitwisschen; onleesbaar maken, stempelen (een

pusuregcis, vcisuup|teil vuij Kieine organen;; aoen verdwijnen (van organen); fig. uitblusschen, dempen; s'—, v. pr. langzamerhand verdwijnen; langzamerhand dichtgaan; fig. in onbruik geraken.

Oblong, ongue, a. langwerpig.

Obloiigifolie. e, a. met langwerpige bladeren.

Obole, f. (gr. o bol os) obool, Grieksche munt (zesde eener drachme, 7'/2 cent); oude Fransche munt (= maille); fig. kleinigheid,

»., »uui«cip »«iu iuhci wiiurue, penning; i — du pauvre, het penningske van den arme.

Oboinbrer, v. a. bedekken, verbergen onder eene schaduw, overschaduwen.

Oboval, e, a. omgekeerd ovaal of eirond. Obreptij|ee, a. door list of bedrog verkregen;

-rruicni, uuv. uuur nst, op sunKscne wijze.

Obreption, f. list, arglistigheid, v.; bedrog.

Obseene, a. (lat. obscenus, de mauvais augure) ontuchtig, onkuisch.

Obscénité, f. ontuchtigheid, onkuischeid, v.

Obseur, ure, a. (lat. obscurus) donker, somber, duister; fig.onbekend, stil; onverstaanbaar, onduidelijk, duister, moeilijk (om te verstaan); iiaissance —e, onbekende afkomst, v.; vie —e, stil vergeten leven; bleu —, donkerblauw.

Obscurantisme. m. verlichtingshaat, m.

lii>litvnliiiU'hoiil if . i!u<o é il.. —. 1

...... . ., —«imr, — I, — HM, 111. VlJttllU

van verlichting, duisterling.

Obsruration, f. verduistering, v. Obsrurürir, v. a. verdonkeren, donker maken, verduisteren: s'—, v. pr. zich verduisteren, tanen; — eisseuient, m. verduistering, verdon-

ivcuug, uuiaicmeiu, v.; — ae ia vuo, ae arneming van 't gezicht, v.; -«inent. adv. duister, in het duister, onduidelijk; f—iller, v. a. verduisteren, de verlichting tegengaan; — ité, f. duisterheid, donkerheid, duiuternis, v.; fig. vergetelheid, vergeten, stil leven; geringe stand of afkomst; fig. vivre dun* f—, in een geringen stand, in vergetelheid leven; — de l'avenir, verborgenheid der toekomst, v.

Obsé||cration, f. bezwering, aanroeping, v.; —crer? v. a. bezweren, aanroepen.

Obse||daiit, e, a. lastig, kwellend; —der, v.a. (lat. o b s i d e r e, assiéger) qn., iemand omringen, gedurig om iemand zijn (in den zin van lastig vallen); plagen, kwellen.

Obsêques, f. pl. (lat. obsequife; de obsequi, suivre) deftige begrafenis, plechtige uitvaart, lijkstaatsie, v.

Obseuuilleiisetiieiit <nr. ki nu kn.it n.K-

op onderdanige, kruipende wijze; — eux, euse (pr. ki ou ku-i), a. (lat. obsequiosus) met te veel plichtplegingen, overdreven hoffelijk; —osité, f. overbeleefdheid, onderdanigheid, v.

Obser|| vable, a. wat in acht genomen kan of moet worden; — va nee, f. waarneming, naleving van ordesregelen, van plichten enz.; kloosterregel, ordesregel, m.; se dispenser des —s de la vie reliirieuse. zich van de klnnstpr-

regels ontslaan; — vaniin, m. geestelijke, die naar den regel van den heiligen Franciscus leeft: — vanfine, f. observantine (kloosterdame van eene in 1517 door Leo X gestichte orde).

Obsei || vateur, m. trice, f. waarnemer, onderzoeker; opvolger, naïever (van wetten, voorschriften enz.); waarneemster enz.; — de la nature, natuuronderzoeker; — des afttres,sterren waarnemer, observator; a. esprit —, onderzoekende geest; — vation, f. inachtneming, naleving; waarneming, betrachting;aanmerking, aanteekening, v.; cette — est enrore gardée, dat gebruik wordt noar oncevolcdr mp tpnir

en —, op de loer staan; — vatoire, m. observatorium, sterrenwacht, v., sterrentoren, m.

Observer, v.a.(lat. observare) betrachten, waarnemen, voor oogen houden; gadeslaan, observeeren, bespieden, nagaan, in het oog houden; s'—, v. pr. zich in acht nemen, voorzichtig zijn; s'— a table, aan tafel matig zijn.

Obsesilseur, m. zich opdringend, lastig mensch; —sion, f. het gedurig lastig vallen; kwelling, plaag. v.

Obsidiane. OllMidieilllP. f. I.ïsl»nHsr»hp «o-nnt

lux-saffier, obsidiaan, m.

Obsidional, e, (lat. obsidio, siège) a. rouruiine —e, belegeringskroon, v.; luomiaie —e, noodmunt, belegeringsmunt, v.

Obsoiéte, a. verouderd.

Obstaele, m. (lat. obstaculum; de obstare. ètre situé en facal hindprnanl m hin¬

dernis, verhindering, v.

Obstetrifral, ale, a. verloskundig; —quo, f. verloskunde, vroedkunde, geboortehulp, v.

Obsti natioii, f. halsstarrigheid, hardnekkigheid, eigenzinnigheid, v.; —né, ée, a. halsstarrig, hardnekkig, eigenzinnig, weerspannig; — neinent, adv. hardnekkig, halsstarrig, eigenzinnig; —ner, v. a. (lat. obstinare) p. u. hardnekkig, eigenzinnig maken; s'—, v. pr. hardnekkig staande houden, het hoofd niet willen buigen; il s'obstine a le faire, hij houdt hardnekkig vol dat te doen; il s'obstuie dans le uial, hij volhardt in het kwaad; sou rliuine s'obstine, zijne verkoudheid wil niet overgaan.

übstruf ||tif, ive, a. verstoppend; —tlon, f. verstODDiiiir. obstructie, v* — tiiiniiSnlo m.

obstructionist (van de kamerzittingen).

Obstruer, v.a.(lat. obstruere) verstoppen, den vrijen doorgang belemmeren.

Obteiiipéj|ratioii, f. gehoorzaamheid; —rer, v. n. (lat. obtemperare) gehoorzamen, nakomen.

Obtenir, v. a. (lat. ob tin ere) verkrijgen,

Sluiten