is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f. Stille Zee, v.; — queinent, adv. op vreedzame wijze, in rust en vrede.

Pacolet, m. pin, v.; naam van een vlug wonderpaard.

Pacoljtille, f. vrijpakkage, v. (waren, die de zeevarenden voor eigen rekening mogen medenemen); mareliandiae de—, ou —, waren van geringe kwaliteit, dikwijls voor de koloniën bestemd; —, pak, bundel; —tiller, v. n. vrijpakkage meenemen; handel in slechte waren drijven.

Pncqulage, m. het verpakken van visch; —er, v. a. visch verpakken.

Pacquelin, m. (arg.) land; zie Patelin.

I ac||te, m. (lat. pactum; de pan ge re,

IVOI^ J-T ° '

7'v'u,uei vjcuiii^ , unutriiianaeiing, v.; V—tloii, f. overeenkomst, v.; verdrag; —(Isa* Hou, f. onderhandeling, v.; het transigeeren; —tiaer, v. n. met iemand een verdrag sluiten of aangaan; transigeeren, in eene schikking treden.

Pactole, m. Pactolus. rivier van Lydië; poaaéder Ie —, schatrijk zijn; Ie — róiirt, roule pour voua, gij zijt rijk.

Padelin, m. grootè smeltkroes, waarin men liet glas laat smelten, m.

Paddock, m. park voor dieren. ... •'««•'(sHhah. m. titel van den Sultan van

Padou, m. floretband, schoenlint.

Padouane, f. nagemaakte medaille, v.

Pagaie, Pagaye, f. pagaai, v. (riem, waarmede de Indianen roeien).

Paga Inteer, v. a. (lat. paganus) tot heiden maken; v.' n. als een heiden denken of handelen; —iiisme, m. heidendom.

Pagayer, v. n. met de pagaai roeien, pagaaien.

I age, m. edelknaap, page, m.; ètre hora de —, den hofdienst verlaten; volkomen zijn eigen meester zijn; —, m. page, v. (haakje waarmee de vrouwenkleedjes van onder worden omhoog gehouden); —, f. (lat. pagina; de pa ngere, fixer) bladzijde, \\; — hlaiirlie, onbeschreven blad. ?£eaU' Pa8H' m- roode zee- of

f,uuuum»cui, lil.

PaRijlnation. f. pagineering, het merken met volgnummers; volgorde der bladzijden, v.; —n«r, v. a. de bladzijden met volgnummers merken, pagineeren.

., m. (esp. paiïo; lat. pannus, pièce

«ietoffe) schaamteschortje, schort der negers en Indianen, v.

l'aRiinii, m. fijn zwart laken uit Sedan. fPannolllo, m. fam. lafhartige, bloodaard, lafaard; mout —, fam. hoogte, van waar inen veilig alles zien kan wat in een gevecht omgaat, v.; f-ferie, f. fam. lafhartigheid, bloohartigheid, v.

ragoae, i. atgodstompel. m. (in Indië en China); afgodsbeeld; pagodebeeldje, schuddebolletje (op étagère's); Indische goudmunt, pagode, v. (= f 4..j0>; iiiiinrlieN —wijde open mouwen.

■'«gure, m. kiuizenaarskreert. m.

Pnipiiient, m. betaling, v.

P«ïen, m. rmie, f. heiden, heldin; a. heidensch.

Pnillngr, m. het dekken met stroo. Paillarfld, arde, a. onkuisch, ontuchtig, geil; !i' hoereerder, hoerenjager; hoer;

—der, v. u. fam. hoereeren, hoererij plegen; -J*j f- fdm. hoererij, ontucht, geilheid, v. Pailla»!|§e, f. stroozak. m., stroomatras, v.; ni. hansworst, paljas, clown: -sou, m. kleine

stroozak, m.; stroomat, vloermat, v.; stroodek. rietmat voor leiboomen, v.

Pail||le, f. (lat. palea) stroo, stroohalm; splinter, m.: schilfer fin metaal). vl«k fin

gesteenten), v.; tirer a la courte —, om het kortste (of langste) strootje trekken; fig. homilie de —, strooman (iem. die zijn naam leent aan eene zaak, zonder er bij betrokken te zijn); niets beteekenend man: fig. un feu de —, een stroovuurtje, iets dat met vuur begint, maar spoedig voorbij is, uitdooft (van gramschap enz.); fig. rompre la —, een verdrag, een koop. de vriendschap breken; — de bitte, betingbout,^ m.; fig. il a bien mis de la — dans se» souliera, hij heeft zijne schaapjes wel geschoren, zijn voordeel wel in acht genomen; fig. coiicher (Mre) sur la -, in de uiterste ellende zijn: mettre a la —. «nr Ia — rninpprpn tn»

armoede brengen; vin de —, stroowijn (van druiven die men op stroo heeft laten drogen;; des ganta —, lichtgele handschoenen; —Ié,

e, a. strookleurig; schilferig, breukig (van metalen); m. kort stroo, strooisel, — le-en-etil, m.,—Ieen-queue, m. keerkringvogel, vliegende phaëton, m. (fétii-en-nil); —Ier, m. mestvaalt, v.; stroohoop, m. (van een erf); stroozolder, m.; fig. ét re sur won —, op zijn eigen grond wezen: — Ier, v. a. met stroo bedekken of omwikkelen: —let, m. mat in het tuig of op het touw, v.; hoop stroo, m.; —let lardé, m. gespekte mat. v.; —, a. m. du vin — let. bleeker (zekere bleekroode wijn), m.; —leté. ée, a. met loovertjes belegd, bedekt; —lette, f. plaatje (van goud <»f zilver), goudblaadje, loovertje, paillet; hameislag, m., schilfertjes van ijzer; — leur, m. euse,

f. strooverkooper, stroo verkoopster; — leux. euse, a. van stroo, stroodeelen bevattend; splinterig (van metalen), onzuiver (van edele gesteenten); —lier, m. stroozolder, m.; bergplaats voor stroo, v.; —Ion. m. handvol stroo, tot het laten doorzijgen van vloeistoffen; stukje metaalblaadje; —Ion de soudure, klein stuk soldeersel; —lot, m. matrasje, kleine stroozak, m.

Paimeiit. m. betaling, v.

Pain. m. (lat. na nis) hrnnH • fitr vnorico]

onderhoud; f — de rl ve, goed doorbakken brood;

— bis, bruin brood; — noir, roggebrood; — complet, brood met zemelen; — tendre, versch. nieuwbakken brood; — rawsia, oudbakken brood:

— mollet, week, fijn wittebrood; — de menage, — (de) bourgeois, huisbakken brood; petit — hlane, kadetje, broodje; deinander son —. bedelen; — clialand. grof brood; — de inunition, leger- of soldatenbrood; - henit, gewijd brood; — azyme, — sana Ie va in. ongezuurd, gerezen brood; — quotidien, dageüjksch brood; —s de proposition, toonbrooden; — d'épiees, peperkoek, m.: — de boiiffie. hollutif» wMsiirht* ilo olw>iin>iu

hennepkoek, m.; — de sucre. suikerbrood; fig. hooge, spitse hoed, m.: — de elre, waskoek, m.; — de navon. stnkie zeen• _ i» <-li.nit<n

a eacheter, ouwel, m.; hostie, v.; — de donleur, tranenbrood; fig. pour un inorreau de —, te geef; fig. n'avoir pas de —, in de grootste ellende zijn; fig. faire perdre Ie gortt du —, fam. om het leven brengen; gagner son —. zijn brood verdienen; avoir aon — aaaure. avoir du — aur la planche, een vast bestaan hebben; étre aana —, zonder middel van bestaan zijn; il a aon - ruit, hij heeft zijne schaapjes op 't droge; proinettre pluu de beurre