Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^®"ïleli,,e' a- doorzichtig; -dité, f. doorzichtigheid, v.

Peloir, m. roliiout der zeemleerbereiders. Felojtnge, m. het winden tot een kluwen: te, f. (lat. pi la, balie a jouer) bal, klomp, in.; naaikussen, kluwen garen; kol voor het hoofd van. e;®n Paard, v.; — de neige, sneeuwbal; mp ba tl re a coups de — de neige,sneeuwballen; - » epmgles, speldenkussen; faire sn een aardigen spaarpot maken: -Ier, v. a. (garen enz.) tot een kluwen winden; lam. met iem. leven als de kat met de muis; iem. afrossen; iem. vleien; streelen; v. n. fam. met sneeuwballen smijten of gooien; - en attendant partle,uit de grap met den bal gooien vóór t eigenlijke spel begint: fig. zich vooraf oefenen; zich vooraf met onbeduidende dingen bezig houden; se —, v. pr. elkander afkloppen; —leur, m. balspeler; kluwenwinder; — teuse. J. werktuig voor 't kluwenwinden; —Ion, m j

klomil . m Unirnn • . l.i v . '

, .... uauvciuuKKfn oai, m.;

naaikussentje; kleine hoop of troep voetvolk, peloton; -tonner, v. a. in een hoop of klomp leggen; op een kluwen winden; als een bal ineenwikkelen; se —, v. pr. zich op een hoopje duiken 8811 ^ *sen' z'c^ £l*oepeeren; ineen-

Peloime f. grasperk; het korte, fijne gras. „ejle, 1. klein, halvemaanvormig schild. ■»? V.* ue: a* me* haar begroeid, harig. P(e)lu,|clie, f. pluis, v., langharig trijp; ene, ee, a. wollig, fluweelachtig; —clier,

niwJï! 8e ~»! v- pr* wolli^ pluizig worden; uitrafelen; —rlieux, euse, a. rafelig, wollig.

relure, f. schel of schil (van vruchten); i korst van kaas; pluk wol; papier —, zeer liine, ' dunne soort papier. I

Pejvan. Petilvnii, m. pelvan, loodrechte als een pilaar opgezette steen, m. (Celtische oudheid.

i Tv, ,e"' a' <lat- Pelvis, bassin) tot 1

bet bekken behoorend.

'j'Penail Ie, f. fam. bedelmonniken: —Ion. m. fam. lap, m.; vod, lomp, v.

Pénal, ale, a. (lat. po1 na. chatiment) straf- 1 opleggend, strafvorderend, penaal; rode — wetboek van strafrecht; -lemen», adv. straf1 echtelijk; — lile, f. straffe, strafbaarheid, v.

( IViuirri m ffim ...j. . '

■»"- 1 ' "c"4 —• «uue zonaaar.

Penale», m. pl. (mot lat. de penus, intéri-

eigeri huis g' vaderIandi eigen haard, m.,

' "ude, a. fam' fig. verlegen, beschaamd, bedrukt; f«lrr Ir )H -e, een arme zondaarsgezicht zetten, bedrukt, verwezen kijken.

m. pl. meervoud van

penny. Eng. stuiver.

Pen|chant, ante, a. afhellend, scheef; fig. afnemend, ui verval komend; -elianl, m. helling, v. het hellen; Ag. neiging, genegenheid, v.; fintn \ n' pendere, ètre suspendu) doen overhellen, overhangen; neigen, overbuigen; v. n. hellen; buigen of bukken; fig. geneigd ot genegen zijn, genegenheid hebben; fig.

eela lait - fa balanee, dat geeft den door-

kïU,lichh"ukke£ '-iC"

Pen Jdable, a. hangenswaardig, wie of wat den strop verdient; tiomme —, galgebrok • vaH misdrijf, dat de galg, den dood verdient;

(laisüii, f. fam. het hangen aan de galg; — dan t ""'e' at' har,Ke»tl, afhangend; nog hangende^ j nog onbeslist (van rechtszaken b.v.); —dant m. hangstuk (van een draaiband); sleutelriemj I

! sleutelring; ring, steel (van een horloge); wimpel (op een schip), m.; weêrga, v. pendant; -dant** do rei lies, pl. oorsieraden, oorhangers, m.: —dant. prép. gedurende; —dant que, coni gedurende dat, terwijl dat; -dard, m. arde. f. I £alöenaas, galgebrok, deugniet, schelm ! slecht vrouwspersoon.

Pendeloque, f. hanger aan eene armkroon. m.; oorhanger, m.

Pendeiiiif, m. hangboog. m.

IVlult* riti f nnKor...!r.» ... L...

.. v.; net nangen:

droogplaats der zeemtouwers, v.; —roles f. pl. kwasten aan eene trompet, m.

| Peildeur, Peiiduur, m hanger, waaraan hel katrol of de takel hangt, m.

PendilIjler, v. a. fam. los hangen, slingeren: j —Ion. m. stift welke de beweging van 't uurwerk aan den slinger mededeelt, v. : Pendoir, m. speklijn, v., vleeschhaak, m. I (touw, haak, waaraan men het vleesch ophangt).

I endre. v. a. (lat. p end ere, être suspendu) hangen, ophangen, aanhangen; aan de galg I hangen; v. n. hangen, uithangen; avoir la laugue bien pendue, goed van den tongriem gesneden zijn; ètre pendu a qch., standvastig j bij iets blijven; ètre toujours pendu aprés . qn., voortdurend bij iem. zijn; rela lui pend au nez, dat hangt hem boven 't hoofd; dire ' Piw *1"® rfe V>.» alles kwaads van iemand zeggen; se —, v. pr. zich ophangen, zich verhangen.

Pendu, m. gehangene, opgeknoopte.

I endiilard, m. penduledief (scheldnaam na den oorlog van 1870 aan de Pruisen gegeven).

I endule, m. (lat. pendulus, qui pendi slinger, m.; — eompensateur, compensatieslinger ; —. f. pendule; slinger-uurwerk; wandklok, hangklok, v.; staand uurwerk; —lette, f. kleine pendule, v.; -duline, f. buidelmees, v. (reuiiz); — Ijste, m. maker van kasten voor slingeruurwerken.

Pene, m. (lat. pessulus, barre, verrou)

v au een sioi, v.

Peiietraj|bilité, f. doordringbaarheid, v.; — ble, a. doordringbaar.

Penetrant, ante, a. doordringend, scherp; lig. schrander, scherpzinnig.

Penei ra HII f, Ive, a. licht doordringend, die , of dat eene doordringende kracht heeft; — tion. f. het doordringen; doordringende kracht, v.; | tig. scherpzinnigheid, schranderheid (van verstand of oordeel), v.; avoir beaueoup de —. een diep inzicht, een' scherpen blik hebben, j Peiielre. e, a. diep getroffen, geheel vervuld i van, doorgedrongen, doordrongen.

i r Penelrer, v. a. et n. doordringen; indringen: ng. inzien, doorgronden, begrijpen; — (Ie ecpur » ^,Im 'em' ontroeren.

Penible, a. (rad. peine) moeilijk, lastig, bezwaarlijk; — hleiiient, adv. met moeite, moeilijk, bezwaarlijk.

Penielie, f. (angl. pinnace, canot) tweede sloep, smalle roeiboot, v.; platte schuit, v. Penieillé, e, a. penseelvormig.

Penil, m. venusheuvel, m. (het bovenste van het schaambeen).

Péninsu | lal re, a. tot het schiereiland behoorend; — Ie, f. (lat. pene, presque; insula, ïle) schiereiland.

Penis (pr. lee), m. roede, v.

Peniteii||ee, f. (lat. pcenitentia; de pcrnitere, se repentir) boete, boetvaardigheid, v. berouw; straf, v.; faire —, boete doen; fig.

Sluiten