Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Preee||dein ment, adv. vooraf, vroeger, te voren; —dent, ente. a. vorig, voorgaand; m voorafgaand, overeenkomstig geval; — drr v. a. (préf. pre et lat. cedere, aller) vooraf of voóruRmunten V00r®aan> overtreffen, te boven gaan,

Préeein'te, f. berk-, barghout, buitenplanken, v. rre-eeltiqne, a. vóór-Celtisch.

Preeepjlte, m. (lat. pr.-eceptu m; de pra>-

cmAm inctniiim i i . r

— v, luollullCi uiuünneri leer, leerinsr. v voorschrilt, gebod; -teur,m.(lat. pr.Tceptor! ue prnecipere, enseigner) leermeester, onder- I wijzer, huisonderwijzer, gouverneur, praeceptor; i —toral, «le, a. tot een leermeester behoorend;

Jorat, m. leermeesterschap, prn?ceptoraat; —toriat, m. leeraarsprove, v.

Pri'l'fMNian f —:i

dpr nVphtpJpninv- vooruitgang, m.

Préeha, zie Prérlii.

Préchantre, m. voorzanger, koormeestei'

'ee,TcJe' Preek' predikatie, v. (bij

r' v',.a" et "• (lat- prifidicare) predikeu, leeren; fig. fam. voorpreeken; roemen* - Ie ra reine, de vastenpredikatiën houden;

in beoefening brengen, wat

willln n etn V°°rlli0udt! ~ "" converli, iem. willen overtuigen, die al overtuigd is; loc. prov.

puur »»n saint, poiir »a paroi»»e, in zijn eigen zak praten; prerher toujour» In inèine eliose, altijd koekoek één zang zingen; —rie f. vermaning, zedenpreek, v. sermoen.

leur. m. eu»e, f. prediker, preeker; vermaner, zedenpreeker, zedenpreekster. m preehn! prerlii.prerha, adv. ou

m. voortdurend gepraat, gepreek.

Precieuze. f. wp.ip.0r* liini^nivmn» —

„ — • "ju utouimaiuc, KccSlllft?

vrouw; nu: meisje of vrouw, dat of die gemaakte

.......ww. v,. «MM uceii; — NflIICIIt, adv. zorgvuldig, kostelijk of dierbaar.

rrerieux, euse, a. (lat. pretiosus; de

j i j- 1' M8lu«wr> van gr00te waarde: edel, dierbaar, waard; gez0cht, gemaakt; le het gezochte, gekunstelde.

Preeioaité, f. gemaaktheid, preutschheid, v.

I recipi||ee, m. (lat. prascipitiu m; de pr.p, avant; ca put, téte) afgrond, m., rotshelling, v.; —tamineiit, adv. met overhaasting of overyhng; —tant, rn. vocht, dat de ontbonden stof naar beneden drijft, nederslaand middel, precipitant; — tation, f. overhaasting, haast, v. voorbarigheid, v.; neerslag, m.; —té, m. precipitiiat, neerslag, m.; — te, ée, a. overijld, voorbang; neergedreven; -ter, v. a. (rad. précipice) nederstorten, nederwerpen. afstortenlig. overijlen, verhaasten; nederdrijven, doen

zinken* — > .um .»»ik •

«iniirur, in i ongeluk storten; — na luite, in aller ijl vluchten; »e— v. pr. zich storten, nederstorten, nederwerpen: »e - Hiir Ie» pas die qn., iemand nasnellen; tig. we — dan» Ie danger, zich in 't gevaar storten. 0

Préclpnl (pr. pu), m. vooruitmaking. vooruitgift, v. (wat een der erfgenamen vooruit neemt, eer men tot eenige verdeeling komt).

Preel||9, Ise, a. (lat. praecisus, coupé, retranché) juist, gewis, bijzonder, zeker* a deux heure» -se», precies om twee uur; une repon»e -»e, een bepaald antwoord; —», m. kort begrip, korte inhoud, m.; —»riiient adv juist, nauwkeurig; -*er, v. a. nauwkeurig bestemmen of bepalen, duidelijk opgeven;

sion, f* nauwgezetheid, nauwkeurigheid (vooral in zijne uitdrukkingen), v.; juiste bepaling, verdeeling of .afscheiding, v.

Précité, ée, a. voornoemd, voormeld, gezegd. 1 n

Précoflee, a. (lat. p ras cox; de prap, avant: coquere, cuire, miirir) vroegrijp; vroegtijdig: lig. voorbarig; f—, f. vroege kers, v.: — eité. f

rnnhfiirt vniSr rlf>r« türl j .. . A '

.. YlUCgl 1JJJUC1U, V.; 11 <r.

voorbarigheid, v.

Preroinpter, v. a. vooruit rekenen of in rekening brengen.

Préroiilieeption, f. het vooruit begrijpen: —cevoir, v. a. van te voren begrijpen; —cu e a. vooruit opgevat. *

PréroiiillsHtiun, f. bericht in de Pauselijke Consistorie, dat de benoemde tot een ffeesteliik

ambt bekwaam is; — «er, v. a. iemand die tot een geestelijk ambt benoemd is, voor bevoegd verklaren; fig. openlijk roemen, prijzen; — geur m. lofredenaar, die iets ophemelt.

Prerordial. e.Oat. prircordia, diaphragme) a. tot de streek van 't middelrif behoorend

Preeurwenr, m. (préf. pré et lat. cursor, coureur) voorlooper; tig. voorbode; a. nikhc — voorteeken. *

Prédé eéiler, v. n. vóór of eerst, stamt..

—re», m. het sterven of overlijden vóór een' ander; -re»Neur, m. (préf. pre et lat. decedere, se retirer) voorganger, voorzaat.

PrédeMtilltltttinil f vnnrl.acnV.il.1.: — j_

.. .. . » •• *utovinMiui^, uieue-

stinatie, v.; —11e, ee, part. et a. voorbeschikt.

voorbestemd, gepredestineerd; -ner, v. a voorbeschikken, predestineeren.

ProdlilAPmillnui.é ... i _ , .

1 1 j , , «auiiitiiger van net

stelsel der voorbestemming; —, e, a. voorbestemmend, tot de voorbestemming behoorend;

— Ilttlldll f Vfinrhoclni» nnA«knn..i: ■

.... .. wv.vwiuh, vuuiucpiiuu^ vooroe-

<ilK«inn> xr • ...... .. „ i i -.

~—...ö, T1, —nn, v. a. vuuruesiuuen, vooruitbepalen, predetermineeren.

PrédiaI, ale, a. fondsen en erfenissen betreffend.

Prédiea|| ble, a. wat van eene zaak gezegd kan worden, wat tot predicaat of attribuut kan kan dienen; —ment, m. predicaat, attribuut: fetre en bon. 011 mauvai» —, in een goed of kwaad gerucht staan, een' goeden of kwaden naam hebben.

. Predikant, m. predikant (in ongunstigen

—,, —, .... omiuuui, ue aan een

voorwprn tnprrnL-unHo ... .

r ^.ecua^iitvp, v.; — raieur.

m. leeraar, predikant, prediker; — ratiiin f leerrede, prediking, predikatie, verkondiging van Gods woord, v.; -calrlre, f. predikster

Pri'lliptinn f /In* ^ 1 : _ . . ,

■; —^"""1 *• " [ii wuicuo; ae pr;e, avant, et dicere, dire) voorzegging, voorspel-

PrcililprtSiiii f ifAnnlmM» •

. ..." • *•, '"""'ciuc, vuurnigenomen-

neid. V.: D'nnpirpnhpiil Hia v.:: i. _ ..

• . «ic muit ui vuorKeiir

voor iets of voor iemand heeft, v.

Predlre, (préf. pré et dire) voorzeggen, voorspellen. '

Predi»po||want, e, a. voorbeschikt, ontvankelijk makend; -»er, v. a. vatbaar of ontvankelijk maken, voorbereiden; -sition. f. vooibeschiktheid, v. aanleg, m.

Predom! {iinnee, f.overwicht; overheersching. v.; — naiit, ante, f. overheerschend. bovendrii-

V6nd. nrp.rinminppronH ■ ■>..<:.... e ■

' 1 —• 1. overneer-

sching, v. meerdere invloed, m.;—ner. v n over-

hpprsphan Ho * . .. Cl

—wM u,cinaiiu neuuen, Dovendrnven, predomineeren. J '

Préelire, v. a. van te voren verkiezen.

Sluiten