Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

v.; (point de) —, punt, waar de beide takken van eene kromme lijn elkander aanraken; gare «Ie —, station, waar de treinen aan dezelfde zijde vertrekken; —se-poil; a — se-poil, adv. tegen het haar in, tegen de vleug (a contrepoil); fig. prendre une affaire a — se-poil, eene zaak verkeerd aanpakken; —ser, v. a. tegen het haar opkammen, strijken of borstelen; —, v. n. terugloopen, terugkeeren; fig. van iets terugkomen; — cheuiiii, plotseling omkeeren, terugkeeren; —soir, m. droogscheerderskam, opstrijkkam, m.

Rebroyer, v. a. wederwrijven, overwrijven.

Rebuf||fade, f. fam. ruwe afwijzing, v. ruw antwoord; — fer, v. a. ruw afwijzen.

Rébus (pr. buce), m. teeken- of figuurraadsel, zinnebeeldig raadsel, woordenspel.

Rebu |11, m. afwijzing, v. weigerend antwoord; uitschot, hetgeen veracht of verworpen wordt; mettre une cliose au —, iets als onbruikbaar wegleggen; les —s de la poste, de onbestelbare stukken; — tant, ante, a. terugstootend, onaangenaam; verdrietig, ontmoedigend; —ter, v. a. ruw afwijzen, verwerpen; afschrikken, tegen de borst stuiten; —té de qch., iets moede, iets zat; se —, v. pr. moedeloos worden; een tegenzin krijgen.

Recaclier, v. a. weder verbergen.

Recacheter, v. a. weder verzegelen of toezegelen.

Réralei||trant, ante, a. koppig, weerspannig, hardnekkig; m. et f. wederspannige; —trer, v. n. (préf. ré et lat. calx, talon) achteruitslaan (van paarden); fig. tegenstribbelen, wederstreven.

Recaler, v. a. glad schaven.

Récapitiij|latif, ive, a. nog eens samenvattend, herhalend; — lation, f. korte herhaling, recapitulatie, v.; —Ier, v. a. kortelijk herhalen,

recapuuieeren.

Recapturer, v. a. weder gevangen nemen.

Reearder, v. a. op nieuw kaarden.

Rerarreler, v. a. met nieuwe vloersteenen beleggen; verzolen (van laarzen of schoenen).

Recasser, v. a. op nieuw breken; op nieuw beploegen, opscheuren (een akker).

Recauser, v. n. weder over iets praten.

Recéder, v. a. weder afstaan.

Recel, m. het helen, het verhelen.

Recélé, m. verduistering, verheling (van iets dat gestolen is), v.

Recéleuient, m. verberging, verheling, v.

Recéler, v. a. (het gestolene) helen; verbergen, verzwijgen; bevatten, inhouden.

neceieur, m. euse, i. neier, verzwijger van een diefstal, heelster, verzwijgster.

Récemment, adv. onlangs, kort geleden.

Recen!'sement, rn. telling, schatting, opneming, v.; verhooring van getuigen, v.; herhaald onderzoek van koopwaren; narekening, v.; — de la population, volkstelling; — des votes, des suffrages, opneming der uitgebrachte stemmen; —ser, v. a. (préf. itératif re et lat. censere, évaluer) eene volkstelling houden; getuigen verhooren; koopwaren nog eens onderzoeken, nazien; —seur, m. volksteller; —sion, f. recensie: vergelijking van den tekst van een oud schrijver met de manuscripten; critische tekstuitgave; critiek, v.

Recent, ente, a. versch, nieuw, hetgeen eerst onlangs gebeurd is; avoir la inémoire —e de qch., iets nog versch in het geheugen hebben.

Reee||page, m. het snoeien der wijngaarden; afhakking van het hout in de bosschen, v.;

—pée, f. gedeelte van een bosch, waarvan de boomen getopt of geknot zijn; —per, v. a. de wijngaarden geheel kort snoeien; afhouwen, afhakken; palen onder water afzagen.

Récépissé, m. (mot lat. qui signifie avoir regu) ontvangbewijs, recepis, v.

Récepütacle, m. (lat. receptaculum) vergaarbak, m.; fig. vergaarplaats, verzamelplaats; vruchtbodem, m.; — de la vapeur, stoomkast; —tif, ive, a. ontvankelijk; — tiun, f. (lat. receptio; de recipere, recevoir) ontvangst, v.; onthaal, bejegening, receptie; intrede in een ambt, installeering, opneming als lid; accuser — (d'une lettre), de ontvangst berichten (van een' brief); discours de —, intreerede; —tionnaire, m. persoon die koopwaren, werk enz. in ontvangst neemt en onderzoekt.

Recerj|clage, m. omlegging met nieuwe hoepels; —de, ée, a. als een hoepel omgekromd, geringd; —cler, v. a. met nieuwe hoepels omleggen.

Reces, zie Recez.

Recette, f. ontvangst, v.; gar$on de —. bediende die geld ophaalt; —, ontvangersplaats, v.; voorschrift (voor eenige ziekte), recept; fig. middel.

Rece || vabilité, f. ontvankelijkheid, v.; — va ble. a. aannemelijk; — veur, m. euse, f. ontvanger; ontvangster, directrice van een postkantoor, ontvangersvrouw.

Recevoir, v. a. (lat. recipere) aannemen; ontvangen, bekomen; opnemen; opvangen; toelaten; fig. ètre bien, mal re^u, een goed, een slecht onthaal vinden; elle ne re$oit pas aujourd'liui, zij ontvangt vandaag geene bezoeken; il a été re^u, hij is door zijn examen, hij is er door; ètre re$u docteur, promoveeren.

Recez. Recés (nr. cè). m. reces, eindresultaat

van gehouden onderhandelingen, slotprotocol; — de l'eni pi re, besluit des rijks,rij ksgoeddunken.

Réchauipir, v. a. den verguldgrond met loodwit verhelpen.

Rechanüge, m. het verwisselen, omwisselen; de —, in voorraad, ter vervanging, tot verwisseling, in reserve; mats, cordages de —, waarloos rondhout, touwwerk, verwisselstukken; —, herwissel, retourwissel, m.; —ger, v. a. weder veranderen, nogmaals verwisselen; — de qch., met iets verwisselen; se —, et —, v. n. v. pr. zich verkleeden.

Reclianter, v. a. herzingen, in het zingen herhalen.

Réchaoner. v. n. ontkomen (aan een arroot

gevaar); — d'une maladie, weer van eene ziekte opkomen; se —, v. pr. andermaal uit de gevangenis ontvluchten.

Ree ha r|| ge* f. herhaalde aanval, m.; nieuwe aandrang, herhaald verzoek; —geiuent, m. het op nieuw laden, het herladen; —ger, v. a. wederom laden of herladen; op nieuw bevelen of gelasten; fig. opnieuw aandringen, verzoeken.

Reclias||ser, v. a. weder terug drijven; op nieuw verjagen; — seur, m. drijver die de dieren weder in de bosschen jaagt.

Réchaud, m. komfoor, vuurpan, v.

Rechaudfage, m. opwarming, v.; het verstellen van iets ouds alsof het nieuw was;

— fé, m. fam. opgewarmde kost, m.; fig. oude kost, oude opgewarmde praatjes, vertelsels;

— fement, m. verwarming, broeiing; vernieuwing der warmte van den grond door verschen mest v.; —fer, v. a. weder verwarmen, opwarmen; fig. weder aanzetten of opwekken, aanvuren,

Sluiten