Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

m. ontroering, v.; — de coeur, beklemdheid of benauwdheid des harten, v.

Sainoii. f. jaargetijde, seizoen; fig. rechte tijd, m.; I'arriêre—, de herfst; la — «Ie» foins, de hooitijd; de —, passend, geschikt; hors de —, te onpas; ètre de —, te pas komen, van pas zijn; uiorte —, komkommertijd.

Saiou, m. kleine Amerikaansche aap, m.

Saki, m. staartaap, m.

Salace, geil, wulpsch: —cité, f. geilheid, wulpschheid, v.

Sala de, f. (rad. saler) salade, sla, v.; pickelhaube, v. soldaat met de pickelhaube; fatiguer la —, de salade aanmaken; fig. donner une — a qn., iemand berispen; panier a —, gevangeniswagen; —dier, m. saladeschotel, m.; —diere, f. gevangeniswagen, m.

Salage. m. het zouten, inzouting, v.

Sa la i re, m. (lat. salarium) arbeidsloon, loon, salaris; lig. verdiende loon, straf, v.

Salaison. f. het inzouten; inmaaktijd, m.; ingezouten, ingemaakte eetwaren, v.

Salainalec. m. fam. (ar. sa lam, paix; aleik, sur toi) diepe buiging, v. Turksche groet, m.

Salamandre, f. (lat. et gr. sa la mandra) salamander, m.; f—s, m. pl. gewaande geesten die in het vuur wonen, salamanders, m.

Salanga, Salaiisane, f. de Oost-Indische oeverzwaluw, v. bekend wegens hare eetbare nestjes.

Salant, a. rn. waar men het zout vergadert; marais —, zoutpoel.

Sala||riat, m. loonstelsel; loondienst, m.; —rier, v. a. beloonen, het loon betalen, salariëeren; — riés, m. pl. bezoldigden, loontrekkenden.

Salaud, aude, a. fam. morsig, onrein; m. et f. vuilik, vuile, morsige vrouw, vuilpoes.

Sale, a. vuil, onrein, morsig, smerig; lig. vuil, onrein.

Salé, m. gezouten vleesch, pekelvleesch; petit —, gezouten jong varkensvleesch, hoofdkaas, v.

Salé, ée, p. eta.gezouten; zout,ziltig; payer —, duur betalen.

Saleuient, adv. morsig, vuil, slordig.

Salep, m. salepwortel, salepdrank, m.

Saler, v. a. (lat. sal, sel) zouten, inzouten; fam. te duur verkoopen, snijden.

Saleron, m. bovenst bakje van een zoutvat.

Saleté, f. vuiligheid, onreinheid, smerigheid, v.; lig. vuile of onreine taal, v.

Saleur, m. euse, f. inzouter, inzoutster.

Salicaire. f. (lat. salix, saule) kattes taart; purper wederik, v. (plant).

Salicine, f. wilgebitter (uit den wilgebast getrokken).

Salicoque, f. soort van zeekreeft, granaatkreeft, m.

Salicor, m. zoutkruid, kraalkruid.

Salien, ne, a. Salisch: tribu —ne, Salische volksstam; les —s, de Saliërs.

Salière, f. (lat. sal, sel) zoutvat; verdieping of holte in het vleesch door ouderdom of vermagering, v.

Salili ||able, a. vatbaar om een onmiddellijk bestanddeel van een zout te worden: — eation. f. zoutvorming, v ; —er, v. a. in zout veranderen.

Saligaud, m. aude, f. fam. morspot, m. morsebel, v.

Salignon, m. zoutbrood, zoutkoek, m.

Salin, ine, a. zoutachtig; —, m. potasch, v. plantenloogzuur; zoutpot, m.

Salinage, m. bewerking, waardoor men het zout tot kristallen laat aanschieten, v.

Saline, f. (lat. sal, sel) gezouten vleesch, zoutevisch, m.; zoutbergwerk, zoutziederij ; zoutgroeve, zoutkeet, v.

Salinier, m. zoutfabrikant, zoutverkooper.

Salique, a. f. loi —, Salische wet (die in Frankrijk de vrouwen van de troonsopvolging uitsloot), v,

Salir, v. a. bevuilen, besmetten, morsig of smerig maken.

Salis||sant, ante, a. vuilmakend, afgevend; dat licht vuil wordt; —son, f. fam. jonge morsige meid, slons; — «ure, f. vuiligheid, onreinheid, smerigheid, v.

SaliH vaire, Salival, «Ie, a. tot het speeksel behoorend; — vant, e, a. speeksel voortbrengend; — vation, f. speekselvloed, m. kwijling uit den mond, v.; — ve, f. (lat. saliva) speeksel, spuug, kwijl, v.; —ver, v. n. sterk spuwen of kwijlen; — veux, enne, a. speekselachtig.

Salie, f. zaal, v.; een met boomen beplant plein; — dattente, wachtkamer; — debillard, biljartkamer; — d'asile, bewaarschool; — a inaiiger, eetzaal; — de speetacle, schouwburgzaal; — du palais, gerechtszaal; lig. la

— entière applaudit. het geheele publiek juichte toe.

Salmiae, m. salmiak, sal-ammoniak.

Salinigomlis, m. hutspot van allerlei overgebleven vleesch, m.; lig. et fam. gewawel; warboel, m.

Salmi(s), m. ragout van gebraden gevogelte.

Saloir, m. zoutvat, zoutpot, m. vleesclikuip, v.

Saloiiion, m. lig. wijze koning; jugeinent de —, rechtvaardig maar streng vonnis.

Salon, m. salon; groote zaal, v.; kunstgalerij, v.; schilderijententoonstelling, v.

Salollpe, a. vuil, slordig, morsig, smerig;

— pe, f. morsige vrouw; — peinent, adv. op slordige, morsige wijze; —perie, f. morsigheid, vuiligheid, slordigheid, v.

Salorge, m. zouthoop, m.

Salpe. Saupe, f. stokvisch, m.

Salp«H|(rage, m. salpetervorming, v.; —tre. m. (lat. sal, sel; petrte, pierre) salpeter; lig. groote levendigheid, v.; buskruit; — trer, v. a. salpeteren, salpeter aanbrengen; —trerie, f. salpeterfabriek, v.; — treux, euse, a. salpeterachtig; —irier, m. salpeterbereider; —trière, f. plaats, waar het salpeter bereid wordt, v.; hospitaal voor vrouwelijke krankzinnigen en gebrekkigen in Parijs.

Salpicon, m. ragout van vleesch en trulfels.

Salplicat, m. Japansch rood, goudvernis.

Salsepareille, I. sassaparilla, v. (zekere plant).

Salsifls, m. boksbaard, m. schorseneer, v. (plant).

Salsugineux, euse, a. dat zoutdeelen in zich bevat.

Saltalirelle, f. volksdans, m. der Venetianen; —tion, f. dans- en gebarenkunst, v.

Saltimbaiique,m.(ital. saltare in banco, sauter sur le tremplio) kwakzalver; goochelaar, koordedanser; fig. fam. grootspreker, kwakzalver.

Saluade, f. groet, m. buiging, v.

Saluübre,a.(lat. saluber; de salus, santé)

Sluiten