Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soon; ongegeneerdheid, v.; pl. de» sansgêne.

Sansomiet, m. spreeuw; kleine zeemakreel, m.

Sans-peau. f. waldenzer-peer, zekere zomerpeer, v.; pl. <le» sans*peau.

Sans-prendre, m. het spelen zonder kaarten te begeeren in het omber-, en zonder maat te begeeren in het quadrille-spel; des nansprendre.

Sans-souci. m. zorgelooze; zorgeloosheid, v.; pl. de» NHiis-Mouci.

Santé, f. (lat. sanitas) gezondheid, v.; petitc —, zwakke gezondheid; ctre en buiuie —. goed gezond zijn; a vol re —, op uwe gezondheid; porler une —, een toast drinken; officier de —, geneesheer zonder doktersgraad, die geneesk. praktijk mag uitoefenen; (liaison de —, zieken-, gekkenhuis.

Santoline, f. cypreskruid.

Santon, m. een Turksche heilige; zekere orde van monniken (bij de Turken).

Santoline, f. Tartaarsche alsem, m.

Sanve, f. wilde mosterd, m.

Saoul. e (pr. sou), a. oververzadigd, zat; zie Soül.

Sapa, m. harde compositie, van sap der vruchten en suiker samengekookt, v. sapa.

Sapajou, m. soort van zeer kleinen Amerikaanschen aap, m.

Sapan, m. buis de —, sapanhout.

Sa||pe, f. muurbreking, velling der muren (door middel van stormrammen enz.); ondergraving of ondermijning van eene sterkte, v.; —peinent, m. het ondergraven, ondermijnen.

Sapêque, f. kleinste munt, v. in Cochin China.

Sallper, v. a. ondergraven, ondermijnen; fig. ondermijnen, langzaam aan de vernieling van iets arbeiden; —peur, m. ondergraver, ondermijner, mijnwerker, sapeur; — mineur, mineur; —peur-poinpier, m. brandweerman; pl. des sadeurs-pouipiers.

Sapliène, f. moederader, v.

Sapliique, a. Sapphisch (naar de dichteres Sappno).

Saphir, m. (hébreu sappir, la plus belle chose) saffier, m. (zeker edelgesteente).

Sapliirine, f. salïierkwarts.

Sapide. a. (lat. sapidus; de sapor, saveur) een smaak hebbend; — dité, f. smakelijkheid, v.

Sapien||ce (pr. ance), f. p. u. (lat. sapientia, sagesse) wijsheid, goddelijke wijsheid, v.; , —tiaux (pr. piancio), a. m. livres —, boeken der wijsheid (in het Oude Testament).

Sallpin, m. (lat. sapinus) denneboom, mastboom, m.; — (argen(c), — (<01111111111), witte den, zilverden; — rouge, roode den. spar, v.; droit coinine uil —, kaarsrecht; dennehout, doodkist van de armen; il sent ie —, fam. hij zal 't niet lang meer maken; —, huurrijtuig, vigelante; — pine, f. grenen of vuren balk, m.

Sapi ||nette, f. eendenmossel, die zich onder de schepen vasthecht, v.; — niêre, f. dennenbosch, mastbosch.

Sapoünace. e, a. zeepachtig; — naire, f. zeepkruid, saponaria; — niliabie, a. verzeepbaar; —nillcation, f. zeepvorming, v.; —nifller, v. a. (lat. sap0, savon) in zeep doen overgaan, in zeep veranderen; —nine, f. zeepstof, v. van den wortel van het zeepkruid.

Saporifique, a. smakelijk, smakend.

Sapotier, Sapotillier, m. brijappelboom, m.

Saquebute, f. schuiftrompet, bazuin, v.

Sar, m. zeewier, m.

Sarabande, f. zekere deftige Spaansche dans, m.; muziek daartoe behoorend, v.

Sarafane, Saraphane, f. sarafaan (jak zonder mouwen der Russische boerinnen).

Saragousti, m. Indisch scheepssmeer harpuis (mengsel van gebluschte kalk, pik en klapperolie).

Sarbacane, f. blaaspijp, v.; spreekhoren, roeper, m.

Sarbotière, f. ijsmachine, v.

Sarcas||ine, m. (gr. sarkasmos; de sarkazein, railler) bittere spotternij, v.; — tique, a. sarcastisch, bitter spottend, hoonend.

Sarcelle, f. taling, smient, v.

Sarj|clage, Sar||clement, m. het wieden; —cler, v. a. wieden, het onkruid uittrekken: —deur. m. euse, f. wieder, wiedster; — cloir, m. wiedijzer, wiedmes; — clure, f.uitgetrokken onkruid.

Sarco..., in samenst.: vleesch.

Sarco||carpe, m. (gr. sarx, sarkos, chair, et karpós, Iruit) vleezig gedeelte, vleesch deivrucht; —céle, f. vleeschbreuk, v.; — colle, f. vleeschlijm, v. soort van gom (uit Ethiopië), v.; —collier, m. Ethiopische harsboom, m.; —logie, f. (gr. sarx, chair; logos, discours) verhandeling over de vleezige deelen des lichaams, v.; — mateux, euse, a. met een vleeschuitwas behept; —me, 111. vleeschuitwas: — pliase. m. (isr. sarx. chair. nhairi'i.

je dévore) steenen doodkist (der Ouden), graftombe, v.; vleeschwegbijtende zaak, v.: —, a. vleesch wegbijtend; — pte, m. vleeschmijt, v.; —tique, a. vleeschmakend.

Sardanapa||le. m. verwijfd vorst, rijk wellusteling, naar Sardanapalus, een der oude Assyrische koningen; —lesque, a. verwijfd (als Sardanapalus).

Sarde. a. Sardinisch; —, m. et f. Sardiniër, Sardinische vrouw.

Sardine, f. sardijn, m. sprot, v.

Sardoine, f. onyxsteen, m.

Sardonien, Sardunique, a. m. ris 011 rire —, stuiptrekkende lach; gedwongen lach, m.

Sargasse, f. eargasso, soort van zeewier.

Sarigue, m. buidelrat, v.

Sarisse, f. werpspies, v.

Sa ruien t. m.(lat. sarmentum) wijngaardrank, v. wijngaardscheut, m.; —teux, euse, a. vele ranken vormend (van wijngaarden).

Saronide, m. Gallische bard, priester.

Sarrallsin, c, a. Saraceensch; m. et f. Saraceen, Saraceensche vrouw; —sin, a. et m. blé —, boekweit, v.; — sine, f. valpoort, v.; luchter, m.

Sarrau, m. kiel, 111. blouse, v.

Sarrette, f. zaagblad (zeker kruid).

Sarriette, f. boonenkruid.

Sar(t), m. zeewier.

Sartis. m. groot touw.

Sas, m. haarzeef, v.; sas, sluiskolk, sluis, v.; passer au —, ziften; lig. É'aire tourner Ie —,

de zeef draaien om waar te zeggen; passer au gros —, grof ziften; fig. ter loops overzien.

Sassafras (pr. fra), m. sassafras, v. sassafrasboom, m.

Sasse, f. hoosvat.

Sassenage, m. kaas uit Sassenage, v.

Sasliser, v. a. ziften, door een zeef laten

Sluiten