Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kos; de skeptomai, j'examine) twijfelend, alles in twijfel trekkend; m. twijfelaar.

Sceptre, m. (gr. skêptron, bi\ton) scepter, koningsstaf, m.; fig. koninklijke macht, heerschappij, v.

Srhnbin<|ue (pr. dm) ou < linbraque. f.

(allem. Schabrack) schabrak, v. sierlijk paardedek.

Seint li (pr. olm), m. Schah van Perzie. Srliako, Slink», m. sjako, v.

WaIiuII m cinnl v

ScliauHka (pr. chaps-kn), m. vierkante

Poolsche sjako, v.

Schrik, l'lieik (pr. click), m. Cheik der Arabieren. ,

Schelem (pr. ehe-lème), m. slem, het halen van al de slagen in 't whist- en bostonspel.

Schelling (pr. r hel in), m. shilling; schelling (zekere munt), m.

Schéma (pr. rbé ou »ke), Sclieme (pr. clic

ou ake), m. scnets, omwerp, pmu.

Schema|| tique (pr. ské), a. schematisch, den vorm voorstellend zonder de zaak; -tique.»<>■>< nn schematische wiize: —ti»er,

v. a. schematiseeren, de voorwerpen als abstracties beschouwen.

Scherif (pr. chérife), m. Arabisch vorst. Scherzo, m. (mot. ital.) schertsend, luimig muziekstuk.

Schiedam, m. jenever, v.

Schibboleth, m. proefsteen, m.; herkennings-

woord. , , , . . .

Schis'matique, a. zich van de kerk afscheidend; m. et f. scheurmaker, afvallige; -me, m. (gr. schisma, division) scheuring, atscheirisnrp van kaï'k v? —fp. m. (ar. schistos;

de schizein, fendre) lei, v. schilfersteen, leisteen, m.; —teux, eu»e, a. schilferig, bladerig.

Schlague, f. (all. sch lagen, battre) fstokslagen (vooral als militaire straf).

Sclilamm, m. bezinksel bij de ertszuivering.

Sclilich (pr. clilik), m. ertshoudend zand.

Schlit||tage, m. het vervoer op sleden van gevelde boomen; —te, f. slede voor houtvervoer, v.; —ter, v. n. gevelde boomen vervoeren op sleden; — tenr, m. houtsleder.

ttnlilnffor v. n. fam. slanen.

Schnapan, Chenapan, m. struikroover, afzetter.

Schnap(p)a, m. fam. glaasje brandewijn, borrel, m. .

Schnick (pr. cluiik), m. (mot. patois all.) slechte brandewijn, m.

Schoner, Schooner (pr. chouncr), m.

onUnnnap cnhnonor m

Sciage, m. het zagen; bois de —, gezaagd hout. , . .

Sciagraphie, f. teekening van de doorsnede eens gebouws; schaduwomtrek, m. silhouet, v.

Sciant, e, a. fam. vermoeiend, vervelend; onuitstaanbaar.

Sela || tere, Sciatlière. m. (gr. skia, ombre; ♦ HAmn rhftrr.hfiri stiil van een zonne¬

wijzer, m.; — tériqne, cadran zonnewijzer, m.; —, a. cadran —, zonnewijzer met eene naald, m.

UoiuCniiP a tcrr. iso.hion. hanche) de heup

betreffend, heup ...; gontte —, ou —, f. heupjicht, v. . .

Scie, f. 'mot angl.) zaag, v.; - a rliantourner, — a échancrer, — a tourneiond,

— a évider, rondzaag, gatzaag; — circulaire,

— ronde, cirkelzaag; — a inain, handzaag;

fer de —, twee houtzagers, die aan één zaag werken; fig. fam. vervelende, hinderlijke zaak, iets onaangenaams; c'est une —! 'tis niet om uit te houden!

Sciemment (pr. Hianian), adv. voorbedachtelijk, met kennis van zaken.

Science, f. (lat. scientia; de scire, savoir) kennis, wetenschap, v.; — infuse, aangeboren kennis, v.; — de l'eaucation, opvoedingsleer, v.

*CieilIIU||qUP. a. geieeiu, wcicuauia^^iya, —queuient, adv. op wetenschappelijke wijze.

Scie||r, v. a. zagen; met de sikkel maaien; lig. fam. — Ie boyau, slecht vioolspelen, krassen; fam. — qn., — Ie do» a qn., iem. doodelijk vervelen; —, v. n. riemen strijken, met de riemen omwenden; —rie, f. houtzagerij, v.; houtzaagmolen, m.; — a vapeur, stoomzaagmolen; —ur, m. zager; maaier met de sikkel.

Scille (pr. sile), f. zeeajuin, m.

Scillitique (pr. sil-li), a. met zeeajuin bereid.

Sein || dement, m. deeling, splitsing, v.; -der, v. a. deelen, verdeelen, splitsen.

Scinque, Scink, m. zekere hagedis, v. aardkrokodil, m.

Scintill|lant (pr. til-lant), e, a. glinsterend,

flikkerend, scmtterenu, iomteienu; -inuuii vf* til-la), f. —lenient (pr. ti-ie ou ti-le), m. glinstering, flikkering, v.; —Ier (pr. til«le), v. n. flikkeren, glinsteren.

Sciographie, f. teekening van de doorsnede van een gebouw, v.

Scion, m. loot, v. takje (van een boom).

SciHMile, a. splijtbaar, kloofbaar.

SclHllHion. f. (lat. scissio; de scindere, fendre) scheuring, scheiding, v.; —sionnaire, a. eene scheuring bewerkend, zich afscheidend;

—»ure, t. spieei, scneur, kiuui, v.

Sciure, f. zaagsel, zaagmeel.

Sclarée, f. tamme scharlei, v.

Scléro||»e, f. (gr. sklèros, dur) ziekelijke verharding der weefsels, v.; — tique, f. harde huid van den oogappel, v. (cornée opaque); a. remede —, verhardend middel, dat de deelen onder elkander vast samenvoegt.

Scolllaire, a. (lat. schola, école) de school betreffend; année -, schooljaar; -larite, t. studentschap; — larque, m. directeur eener school. ,

ScolaHtillque, a. schoolsch; —, m. scnooileeraar, schoolgeleerde; f. schoolsche wijsbegeerte, v.; — qtiemeiit, op schoolsche wijze.

^CUIiaBtf, III. UILlCggGl VICl VUV.V,

schrijvers.

Scolie, f. (gr. scholion, note) uitlegging of verklaring van oude schrijvers; korte aanmerking of gevolgtrekking eener leerstelling, v.; — f. (gr. s kol ion) drinklied.

Scolopendre, f. duizendpoot, m. veelvoetige worm, m.; hertstong, steenvaren, v. (zeker kruid).

Scolyie, m. nouiKever, m.

Scombre, m. makreel, m.

Scorbu || t, m. scheurbuik, blauwschuit, v.; —tique, a. scheurbuikachtig; m. et f. scheurbuiklijder, -lijderes.

Scorie, f. (gr. sköria, déchet) metaal-, ijzerslak, v. asch, v. of schuim van metaal.

Scorillca||tion, f. zuivering der metalen in den smeltoven, vorming der metaalslakken, v.; —toire, m. smeltkroes, m., vat, waarin de metalen gezuiverd worden.

Scorilter, v. a. (de metalen) zuiveren, verslakken, in slakken veranderen.

Sluiten