Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paarden); — ture, f. kneuzing onder den hoef van een paard, v.

Soldanelle, f. dadelbloem, v.; zeewinde, zeekool, v.

Solda ||t, m. soldaat, krijgsman; avoir 1'air —, een krijgshaftig aanzien hebben; — de fortune, soldaat die zich van den laagsten rang tot dien van officier heeft opgewerkt; — de marine, marinier; — aervant, oppasser; —teaque, a. op zijn krijgsmans, krijgsmanachtig; —, f. gemeen krijgsvolk, soldaten; —tesqueuient, adv. op soldatenmanier.

Sol||de} f. (ital. soldo) soldij, bezoldiging,v.; — de rélorme, wachtgeld; ètre a la — de qn., in iemands soldij staan; —, m. saldo, slot van eene rekening; — de (ou en) caia.se, — de compte, saldo van rekening; —, overschot van waren (die men tegen verminderden prijs verkoopt); —der, v. a. (de solde, f.) bezoldigen, in soldij hebben; (de solde, m.) afsluiten, afbetalen, vereirenen; ae —, v. pr. afgesloten, afbetaald, vereffend worden.

Hole, f. bodem van een vaartuig zonder kiel, m.; zool, voetzool van een paard (het onderste van den hoef); tong (zekere visch), v.; — normande, tong met oestersaus.

Soléaire, a. musrle —, onderste kuitspier, v.

Solccisme, m. wanspraak, v. misslag tegen de regelen der spraakkunst, m. fout tegen de woordvoeging, v.; c'eat 1111 —, dat is niet zoo; faire uil —, fam. een bok schieten.

Soleil, m. (lat. sol) zon, v.; zonnebloem, v.; il fait du —, de zon schijnt; il fait deja ou encore grand —, het is reeds of nog klaar dag; avoir du bien au —, grondbezit hebben; avoir uil coup de —, een zonnesteek krijgen; plotseling blozen; lig. aangeschoten zijn; fam. piquer un —, plotseling een kleur krijgen; lig. avoir sa place au —, eene positie innemen.

Solen (pr. léne), m. scheede, messeschede, (soort van schelp).

Solen nel, elle (pr. sola), a. plechtig, statig, feestelijk; — iielleinent (pr. la), adv. plechtig, statig, feestelijk; — nisation (pr. la), f. plechtige viering, v.; —niaer (pr. la), v. a. plechtig vieren; —nité (pr. la), f. plechtigheid, v.

Solfatare, f. zwavelgroeve, v.

Sol || lege, m. oefeningen, v. voor den zang: zangschool, v. noten abc; —lier, v. a. met de noten zingen, de toonladder zingen.

Solidai||re, a. verplichtend, dat elk der contractanten voor alle anderen verbindt; noua aouiuiea —a, wij staan voor elkander in of borg; — reiiient, adv. de een voor den ander, ieder in het bijzonder voor het geheel; eau(iou —, solidaire borgtocht.

Solidariüser, v. a. solidair maken; —té, f. wederzijdsche verplichting voor het geheel', hoofdelijke verbintenis, v.; solidariteit, gemeenschapsgevoel.

Soliilde, a. (lat. solidus) hecht, vast, stevig; fig. bondig, vast, standvastig, grondig; —, m. lichaam, dat lengte, diepte en breedte heeft; vast lichaam; vaste grond, m.; het wezenlijke, gewichtigste; lea —a, de vaste] bestanddeelen deslichaams; —dement, adv. vast, hecht en sterk; grondig, bondig, verstandig; —dlDcation, f. vastmaking, vastwording, v.; —dilier, v. a. vast, hard, dicht maken; — dité, f. vastheid, hechtheid, sterkheid, v.; fig, bestendigheid, duurzaamheid; grondige kennis; soliditeit, v.

Soliloque, m. (lat. solus, seul; loqui,

parler) alleenspraak, v. gesprek met zichzelven.

Solin, m. wijdte tusschen twee balken; bestrijking van kalk onder de eerste rijen deidak pannen, v.

Solipède, a. (lat. solus, seul; pes, pied) eenhoevig; —a, m. pl. éénhoevigen.

Soliate, m. et f. solo-speler, solo-zanger, solo-speelster, solo-zangeres.

Solitai||re, a. eenzaam, van de wereld afgezonderd; ver —, lintworm, m.; —re, m. kluizenaar, heremiet; alleen gezette diamant, m.; het melancholie-spel; — rement, adv. op eenzame wijze, van de wereld afgezonderd.

Solitude, f. eenzame plaats, eenzaamheid; woestenij, v.

Solii|ve, f. balk, dek-, vloerbalk, m. rib, v.; vroegere maat van zes voet bij het hout meten, v.; — veau. m. kleine dunne balk, m.

Sollici Ij tat ion, f. verzoek, aanzoek, aandrang, m.; voortdrijving, voortzetting; bevordering eener zaak, sollicitatie, v.; —ter, v. a. (lat. sollicitare, demander) aanzetten, aandrijven, ophitsen; verzoeken, sollici teeren, aandringen, bevorderen, vervolgen; sterk aanzoeken; zijne zaak aanbevelen; — teur, m. euae, f. dringend verzoeker; verzorger van iemands belangen: —tude, f. zorg, onrust, bezorgdheid, bekommering, v. ySolmilier, zie Sollier.

Solo, m. solo, v.; solozanger, solospeler; pl. dea solo, dea aolos ou dea soli.

Solstijlce, m. (lat. sol, soleil; stare, s'arrèter) zonnestilstand, m.; —cial, ale, a. tot den zonnestilstand behoorend, zonnestandig.

Sol u! bi li te, f. oplosbaarheid, v.; — ble, a. oplosbaar, wat kan worden opgelost; — tion, f. (lat. solvere, délier) oplossing, solutie; ontbinding, scheiding, verdeeling, ^betaling, voldoening, v.

Sol va I! bi li té. f. betaalbaarheid, v.; vermogen om te betalen; —ble, a. (lat. solvere, payer) die betalen kan of in staat is te betalen, die goed is voor....

Somatologie, f. leer van het menschelijk lichaam, v.

Soinj|bre, a. donker, duister; lig. droevig, treurig, zwaarmoedig, somber; gedekt, gedempt (van eene stem); il fait —, het is donker, duister, somber weer; — brer, v. n. omslaan, kenteren; fig. verdwijnen, verloren gaan; — sous voilea, in het zeilen door een rukwind omslaan en zinken; —, v. a. gedekt, gedempt maken.

Sombrero, m. breedgerande Spaansche hoed, m.

Soiiuiiager, v. a. de sluithoepels om een vat

leggen.

Sommai re, a. (lat. summa, abrégé) kort, beknopt; —, m. kort begrip, korte inhoud, m.; — rement, adv. kortelijk, met weinige woorden.

Soiiimatioii, f. gerechtelijke aanmaning, opvordering, sommatie, v.; opeisching, v.

Som||me, f. (gr. sagma) last van een lastdier, m.; bétede—, lastdier; —,(lat.summa), som gelds, v.; kort begrip; en —, — toute, fam. in het kort, met één woord, eindelijk; —ine, m. (lat. somnus)slaap, m. slaapje, dutje.

Som||meiI, m. slaap, m. sluimering; slaperigheid, v.; — ineilleiiieiit, m. sluimering, v.: —meiller, v. n. sluimeren; fig. slaperig of nalatig worden; —meiier, m. ière, f. (rad. som me, charge) hij of zij, die het opzicht over den kelder heeft, keldermeester, bottelier, kei-

Sluiten