is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tereenvolgens, de een na den ander, voor en na.

Succifln, m. (lat. succinum) amber, barnsteen, m.; —nate, m. barnsteenzuur zout.

puccInc||( (pr. Huksin), incte(pr.*uk-ginte), a. beknopt, bondig; fig. re pa» —, sobere maaltijd; -tement, adv. kortelijk, beknoptelijk.

• a. uariisLeennouaena; aciue —.

barnsteenzuur.

Succion, f. zuiging, v.

Succomber, v. n. (lat. succumbere, ètre couché dessous) bezwijken, overwonnen worden.

Succube, m. spook, dat de gedaanfe eener vrouw aanneemt.

nuceiiHieiice, r. sappigheid, saprijklieid, v.; —lent, ente, a. sappig; krachtig. • ||le, f* (lat. succursus, secours)

cgliHe , kerk, welke tot noodhulp gebouwd is, v.; hulpinrichting, bijbank, flliaalbank, v. bijkantoor; — liste, m. bedienaar eener hulp-

Sul'ceinent. m. het zuiran. 7ni ai no- v.

v. a. (lat. su ge re) zuigen, inzuigen; uitzuigen; —ceur, m. eusé, f. die zuigt, uitzuigt, b.v.eene wonde; -<;oir, m. zuigspriet, zuignap, m. van insecten; —5011, m. roode vlek op de huid, door zuigen of kussen veroorzaakt, v.; — coter v. a. langzaam zuigen.

Sucrage, m. besuikering, v.

Sucre, m.(arab. sukkar; lat. saccharum) suiker, v.; — roaat, rozensuiker, v.; — de betterave, beetwortelsuiker, v.; — roval kanariesuiker, v.; — brut, ruwe suiker, v.; - de cautie, - colonial, rietsuiker; - d'orge gerstesuiker; — rafflné, geraffineerde suiker, v.; — candi hlanc, witte kandij, v.; — candi

v - ia ue —,suiKerorood; ng. en pain de kegelvormig; caiine a suikerriet.

Su||cré, ée, p. et a. gesuikerd; suikerzoet, lig. zoetsappig; faire la sucrée, fig. fam. de preutsche, zedige, ingetogene spelen of uithangen; —crer, v. a. suikeren, met suiker toemaken of bestrooien; -crerie, f. suikerbakkerij, v.; pl. suikergoed; -erier, m. suikerdoos, v. snikerpot, m.; suikerbakker; —crier iere, a. suiker...; l industrie -ière, de sui-

kpnnHiictria • «•.:» « •

w.v, a. in. iiieion —, ou

—. m. meioen, die een suikerzoeten smaak beeft, m.

Sucl, m. zuiden. 7.uiderdeel; zuidenwind, m.; ■ <1I1I11<I<- —, zuiderbreedte; Ie p<lle —. de zuidpool; In nier <ln —, de Zuidzee.

Slliinlicm, f. het zweeten.

Sud-r»), m. zuidoost, zuidoost, zuidoostenwind, m.; —<|U»rt-Hiii|.pHt, zuid-ten-oosten; es», zuid-zuid-oost; —eMt-qnart—. zuid-

nnst ton 7tiiflan ■ ... —a ! . ,

«UIUGI1, rniM|iinn.|*Ni, ZUlUOOSt teil

oosten.

(Amerika)' m' aanhanger der Zuidelijken

Kndurilere, Sndorillqne. a. et m. zweetdrijvend, zweetverwekkend (middel).

Ktidoripnre, a. zweeta(scheidend.

Siid-iiueHt. m. zuidwest; zuidwestenwind, m.

feud-ouentrier, m. zuidwester, m. (matrozenhoed).

SuedoiH, e, a. Zweedsch; m. et f. Zweed, Zweedsche vrouw; Ie sucdoi», het Zweedsch.

Sucdo-norvcgien, ienne, a. ZweedschNoorsch.

Suée, f. het overmatig zweeten; fam. angstzweet.

Sue||r, v. n. et a. (lat. sudare) zweeten; — « groten gouttes, fam. sterk zweeten; Hang et eau, in duizend angsten zijn; — Tennul, zich vreeselijk vervelen; — Ie fer, het ijzer zweeten; —rie, f. zweeting, v.: zweethuis voor de tabak.

Suette, f. zweetkoorts, zweetziekte, v.

feUeiir. f. (lat. SUdorlZWPPt- i>trotnnUn_

van t zweet druipen; a la — de hou front.

in t zweet zijns aanschijns.

• ^yflete, m. sufleet, hoogste overheidspersoon in Carthago.

Su ril || re, v. n. (lat. s Uffip.1111 ffpnoptr.

zaam zijn, toereiken, genoeg zijn; se — a hoI111 cine. zich zeiven genoeg zijn; il hu lilt, het is voldoende; prov. a cliaque jour nufllt Ha peuie. elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad; — Hamuient, adv.genoeg, genoegzaam; —8anee, f. genoegzaam bestaan, toereikendheid, v.; verwaandheid, pedanterie; bekwaamheid, v.; genoegzame kracht, v.; a —, en — tam. genoegzaam: Pen ai hui — ik heh H»9r!

van genoeg; —Mant, ante, a. toereikend, genoegzaam; verwaand, vol inbeelding; kloek, wel geoefend, ervaren; -, m. et f. verwaand mensch.

voegd^*e' m' achtervoeSsel5 a- achtergeSufloilrant. nnt» t» vorotibbnn^, .„ti

f. verstikking; stikzinking, v ; — quer, v. a. et 11! (lat. suffocare; de sub, sous, et faux, faucis. COrfffïl VAratiklron emm-on. rtf»

colêre, d'iiidigiiation, stikken van gramschap, van verontwaardiging,

Suflraügaiit, e, a. cvèque —, ou —, m. de aanu.een aartsbisschop ondergeschikte bisschop, wijbisschop, suffragaanbisschop; bij de Protestanten: hulpprediker; —ge, m. (lat. suffragari, appuyer de son vote) stem (in het verkiezen van iemand); goedkeuring, v. bijval, m.; droitde—, stemrecht; — universel, algemeen kiesrecht; — b, pl. voorbede, voorbidding der Kerk, v. (voor de geloovigen).

Siifriiniiiratiofi. f. liprnnlfino- rlamriinn

van onderen (geneesmiddel van verschillende kruiden, waarvan men den rook onder in het lichaam laat trekken).

KuiTu»ion. f. uitstorting van bloed of gal (tusschen vleesch en huid), v.; het blozen.

Siigjgérer, v. a. (lat. suggerere, placer dessous) inceven. nnn Ha hand ^nan. _ ....

testament, door list en bedrog bewerken, dat een testament te zijnen voordeele, of ten nadeele van een ander gemaakt wordt; —gCHtif, ive, a. ingevend, inblazend; -gestloil (pr. SUK-gCSH-ti-OIl). f. inc-ftvino- inhhi.

zing, v.

Sugillation (pr. l-la), f. blauwe vlek, v. van stooten, vallen, enz.

Kuici||de, m. zelfmoord; zelfmoordenaar; —de, m. dee, f. zelfmoordenaar, zelt'moordenares; -der (ue), v. pr. (lat. sui, soi; caïdere, frapper) een zelfmoord begaan.

Suie, f. roet.

suir. m. Hat. flfihll CPsmnKon dianliil.

vet, talk, v. smeer; dunner un —, een vaartuig van onder smeren; rhandelle de — smeerkaars, v.

Suifler, v. a. met talk, vet besmeren. !*iii generlei, a. eigenaardig.

Kuliilt, m. smerigheid, v. vetachtig stinkend zweet van sommige dieren; -Imit, e, a. doorzijpelend, doorzweetend; —(emeiit, m. het