is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tempor». . . (lat. tempora) in samenst.: de slapen betreffend, slaap...

Teinps, m. (lat. tempus) tijd, m.; weder, gesteldheid der lucht, v.; jaren; ouderdom, m.; gelegenheid, v.; rechte tijd, m.; verdeeling van de maat in twee, drie en vier, v. tempo (in de muziek enz.); gros —, zwaar weder, storm,m.; fam. faire la pluie et Ie beau —, alles naar zijne pijpen laten dansen; <lu — de, ten tijde V-j ' ü a<*v' °P U)0.? °P den bepaalden tijd; de — en —, de — a autre, adv. van tijd tot tijd; entre —, intusschen; la nuit des —, de grijze oudheid; de tont —, adv. ten allen tijde; en - et lieu, bij tijd en wijle; avoir fait wou —, zijn tijd uitgediend, gehad hebben; prov. il y a — pourtont,alles heeft zijn tijd; dans la plêiiitude des —, in de volheid der tijden; a la eoiisommatioii •l'» —» aan de voleinding der tijden, bij 't eind der wereld.

Tenable, a.houdbaar,verdedigbaar; fig. waar men blijven kan.

Tena||re, a. (lat. tenax; de tenere, tenir) taai, aanklevend, vasthoudend; fig. karig, vrekkig; koppig, hardnekkig, vasthoudend, getrouw; avoir la mémoire —, een getrouw geheugen hebben.

Ténacité, f. vastheid, kleverigheid, aanklevendheid, vasthoudendheid, v.; fig. karigheid, vrekkigheid; hardnekkigheid, v.

Tenail le(s), f. nijptang, v.; — lement, m. het knijpen; —Ier, v. a. met gloeiende tangen het vleesch afknijpen; fig. kwellen, pijnigen; — Ion, m. bolwerk, klein tangwerk, bril werk.

Tenan||cier, m. ière, f. bezitter, bezitster van een boedel; pachthuurder, pachthuurster; —t, ante, a. ergens aan vast; vasthoudend, karig, gierig; séance —te, staande, gedurende de zitting; —t, m. -J-voorvechter in een steekspel; voorstander; wapenhouder, schildhouder; verdediger van een gevoelen, een persoon; tont d'un —t, tout en uil —, d'un seul —, loc. adv. aan één stuk, zonder ophouden; —ts et aboutissants, m. pl. aanpalende grenzen van een stuk land, v.

Ténare, m. (gr. Ta in ar os) onderwereld, v.

Tendable, a. rekbaar.

Tendan 're, f. (rad. tendre) strekking, richting, v. oogmerk, doelwit; -oiel, elle, a. eene strekking hebbend; -t, ante, a. a qch., op iets doelend of tot iets strekkend, op iets gericht, uitloopend.

Tendelet, m. zonnedek, tent over eene galei, v.

Tender (pr. tin-dère), m. (mot angl.) tender, m., water- en kolenwagen eener locomotief.

Ten||derie, f. het opstellen, spreiden van netten, het zetten van strikken; de bevoegheid daartoe, v.; —deur, m. euse, f. nettenspreider; strikkenzetter; behanger; — dinetix, euse, a. peesachtig; —doir, m. spanstok, droogstok, m.; —don, m. (lat. ten do) pees, v. einde eener zenuw.

Tendre, a. (lat. ten er) teeder, week, murw, zacht, malsch; gevoelig, zwak, weekelijk; fig. weemoedig, teeder; verliefd; —. m. teederheid, liefdedrift, verliefdheid, v. zwak; Ie pays de Tendre, het land der liefde.

Tendre, v. a. (lat. tendere) spannen; uitstrekken, reiken, rekken, uitrekken; .ophangen, opslaan; behangen; — mi piége, een strik spannen, zetten; lagen leggen; — 1111e teute, eene tent opslaan; fig. — les bras a qn., 1 iemand hulp aanbieden; fig. — les inains a

qn., iemand de behulpzame hand leenen; —, v. n. ergens naar toe trekken; lig. strekken, , bedoelen, ten oogmerk hebben; trachten; — a ; la uiort, naar den dood verlangen; — a sa Mn, op het uiterste zijn, op sterven liggen; ten einde loopen; — a ges fins, steeds zijn doel in 't oog houden.

Tendre||let, ette, fam. weekelijk, bedorven; —ment, adv. teederlijk, teêrhartig.

Ten'idresse, f. teederheid, innige genegenheid, v.; —dreté, f. malschheid, zachtheid van vleesch, groenten enz., v.: —dron, m. spruitje (van planten): lel van het oor, v.; fig. fam. jong meisje; —s de veau, zacht kalfskraakbeen (aan de borst of aan de beendereinden).

Tendu, e, a. gespannen, uitgerekt; la eorde —e, het gespannen koord; fig. avoir l'esprit —. ingespannen van geest zijn.

Ténébres, f. pl. (lat. tenebra?) duisternis; uiterste duisternis, hel, v.; Ie prinre des — satan, de duivel.

Tênê||breusement, adv. op duistere wijze; —breux, euse, a. duister, donker, beneveld; —brion, m. meelkever, m.

Téneiiient, Tênement, m. hoeve, pachthoeve, v.

Ténesme, m. persing, drukking, v. drang tot stoelgang, m.

Tenettes, f. nijptangetje, waarmede men den steen uit de blaas haalt.

Teneur, f. inhoud, m. (van eenig geschrift); —. m. houder; — de livres, m. boekhouder.

Tenez! int. houd! zie je, weetje, kijk! neem aan!

Tcni||a, m. (lat. ttenia; du gr. tainia, bandelette) lintworm, m.; — fuge, m. middel tegen den lintworm.

Tenir, v. a. (lat. tenere) houden, vasthouden; ophouden; inhouden; bezitten, hebben; houden, nakomen, volbrengen; hebben, weten; gebruiken; tegenhouden, beletten, verhinderen; onderhouden; nemen, volgen; achten, schatten; staande houden; — qch. de qn., iemand iets te danken hebben; iets van iemand weten, vernemen, geleerd hebben; — la campagne, het veld houden; ceux de qui je tiensla vie, mijne ouders; — éeole, school houden; — Ie lit, het bed houden; — des elianibres gariiles, gestoffeerde kamers verhuren; — Tien de qu., iemands plaats bekleeden, iemand vervangen; — Ie parti de qn., iemands partij kiezen; — note de qcli., ergens notitie van nemen; — les livres, boek houden; prov. promettre et — sont deux, beloven en doen is twee; — compte de qcli., rekening met iets houden, iets aanrekenen; fig. iets op iemands rekening stellen; —, v. n. houden, afhangen; hebben van, gelijken naar; houden, vasthouden; inhouden, in kunnen liggen; tegenstaan, tegenhouden, uithouden; — a, gehecht zijn aan, houden aan; behooren tot; — de, houden, weten van; verschuldigd zijn aan; aarden, overeenkomst hebben met; — pour, houden voor; — rontre, tegenhouden, uithouden tegen; — que, staande houden, gelooven dat; en —, bedrogen zijn; verliefd zijn; dronken zijn; n'y pas —, het niet kunnen uithouden; — bon, — ferme, zich goed houden, het niet opgeven; -- au cwur, na aan het hart liggen; —, v. imp. — a qu., van iemand afhangen; qu*a eela ne tienne, laat dat geen beletsel zijn; — Ie vent, loef houden; — la uier, in zee blijven; j'y tiens beaucoup, er is mij