Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ijzer; ce poèle n'est pas de foute, il est de —,

die kachel is niet gegoten, hij is geslagen.

Tolêra|ble, a.dragelijk,lijdelijk;éerivain —, middelmatig schrijver; — b Ie ment. adv. dragelijk; middelmatig, zoo tamelijk.

Tolë||raiice, f. verdraagzaamheid; toelating, vergunning, tolerantie, v.; ma i son de —, publiek huis; —rant, ante, a. verdraagzaam, to-

luituit, —luiiiimiiif. iij. overareven verdraagzaamheid, v.; —ration, f. het verdragen of dulden; —rer, v. a. (lat, to Ier are) verdragen, dulden, lijden, toelaten.

Tó||lerie. f. het slaan van plaatijzer; fabriek van plaatijzer, v.; voorwerpen van plaatijzer; — lier, m. fabrikant van plaatijzer.

Tolet, m. roeidol, roeipin, v. (waaraan de riemen zich bewegen).

Toletière, f. roeiklamp, dolklamp, m.

Tolle, m. (mot lat. qui signifie en léve) erler — sur ou contre qn., een kreet van verontwaardiging over iemand aanheffen.

Tomahawk (pr. to-inaök), m. strijdbijl, v. der Noord-Amerikaansche Indianen.

Touiaison, f. verdeeling, v. van een boek in deelen; boekdeelcijfer, boekdeel letter, v.

Toman, m. zekere rekenmunt in Perzië, v. van ongeveer 25 gulden.

Toninte, f. (m. esp.) tomaat, v.; satire aux —s, tomaatsaus, v.

Tonibae, m. tombak (gemengd metaal, uit koper en zink).

Tombal. ale, a. het graf betreffend; pierre —bale, grafsteen, m, lijkzerk, v.

Toinbant, e, a. vallend; afhangend; a la nuit —e, tegen het vallen van den nacht of avond.

Tomllhe, f. (lat. tumba) zerk, v. steen, m.; grafstede, tombe, v.; —beau, m. (rad. tombe) graf, begraafplaats, v.; fig. kerkhof; fig. dood, ondergang, m.; lit en —, tombevormig ledekant; cliaudiêre en —. stoomketel, m. met lage drukking; fidele jiisqu'au —, getrouw tot in den dood.

Tombée, f. het vallen; a la — de la nuit, bij 't vallen van den avond.

■ oiiiDeiier, m. voerman eener stortkar, eener vuilniskar.

Toinbelle. f. grafheuveltje.

Toitiber, v. n. vallen, nedervallen, storten; invallen, toevallen; — dans ou en . . . ., vervallen in, tot . . . .; lig. faire — les ar nies des maiiis, ontwapenen, tot medelijden bewegen; — a la ren verse, achterover vallen; — en démenee, krankzinnig worden; — en apo-

|#ir\ir, eeijc ueiuene Krijgen; — uoiis Ulie eiiihusrade, in eene hinderlaag vallen; prov.— de flévre en cliaud mal, van den wal in de sloot raken; van kwaad tot erger vervallen; — en laiigueur, de tering krijgen; — malade, ziek worden; — de soiiuiieil, van slaap omvallen; — sur qn., op iemand aanvallen; lig- — »nr les bras de qn., tot iemands last komen; — de son liaut, des nues, zeer verbaasd staan te kijken; — a rlen, op niets uitloopen; — bien, juist van pas komen, het goed treffen; — mal, het slecht treffen, niet van pas komen; — d'aeeord. het eens worden; — en quenouille, aan de vrouwelijke linie vervallen, aan het spinrokken vervallen; — sous les geus, onder de zinnen vallen, begrepen kun¬

nen «uiucii, — umis ir mfiib, «mus ie sentiment de qn., in iemands gevoelen treden; — sous Ie vent. aan lij vervallen; laisser — la inisaine, de fok laten vallen; les bras in'eii

toinbeiit, ik sta verstomd; — sous la main.

toevallig in handen komen; — dans Ie trouble, dans la eonfusioii, verward, verlegen, beschaamd worden: son zèle tombe, zijn ijver verflauwt, bekoelt; auteur tombe, uitgefloten schrijver; v. a. — qn., iem. neerwerpen, leggen.

Toinbereau, m. stortkar, wipkar, vuilniskar, v.; karvol, v,

Toiiibeur, m. omwerper, legger (bij 't worstelen).

Tombola, f. (mot ital.) tombola, v.

Tomé, m. (gr. tomos; de tem nó, jedivise) deel van een boek, boekdeel; lig. faire Ie second — de qn., iemand gelijken en hetzelfde lot hebben.

Tonieiiteux, euse, a (lat. tomentum, duvet) viltachtig.

Toiner, v. a. in boekdeelen splitsen.

Tom-pouee, m. Klein Duimpje; lig. zeer klein ventje.

Ton, ti», tes, (lat. tuus; de tu, toi), adj.poss. uw, uwe, jouw, jouwe.

Ton, m. (lat. tonus) toon, klank, m. geluid, stem v. stijl, m.; — familier, gemeenzame toon; — soiitenu, verheven toon; Ie bon —. de taal en manieren der beschaafde wereld; Ie — des balles, de vischmarkttaal; prov. c'est Ie — qui fait la mtisique, het komt op de wijze aan, waarop men iets zegt; parler du bon —, op een beschaafden toon spreken; Ie preitdre sur mi —, een toon aanslaan; Ie prenez-vous sur re —la? slaat u zulk een toon aan? eilander de —, van toon veranderen, anders praten; fig. sa inaison est montee sur re tou-la, op zoodanigen voet leeft hij.

Tonalité, f. het eigenaardige van een toon.

Tonea, fève (de) —, ou —, m. welriekende vrucht, v. van den tonkaboom, tonkaboon, v.

Ton || dage, m. hetscheren der lakens;—daille, f. afgeschoren wol der schapen, v.; —dalson, Tonte, f, schering, v. het scheren der schapen; —deur, m. deuse, f. scheerder: droogscheerder, lakenbereider; scheerster; —deuse, f. scheermachine, v.

Ton||dre, v. a. (lat. ton de re) scheren, snoeien; — qn., iem. het haar zeer kort knippen; iem. tot monnik maken; — sur mi ceuf, fam. wol op een eierdop zoeken (van gierigaards snrekend): liir. — la lirpbi* dp trnn nri>u hpf.

volk te zware lasten opleggen: se laisser —, zich 't vel over de ooren laten halen; —du, m. fig. kaalkop, monnik: fig. man zonder aanzien, nietsbeteekenend man; —dure, f. afval, m. schesrsel.

Tonieité, f. spanning, veerkracht, v.

Toni li ant. e.a. versterkend; —er, v.a. versterken ; veerkrachtig maken.

Tonique, a. spannend, veerkrachtig; versterkend; des —s, versterkende middelen; accent —, hoofdaccent; —, f. grond- of hoofdtoon van een muziekstuk, m.

Tonka, m. zie Tonra.

Tonnage, m. tonnemaat, v.; droit de —,

tonnegeld.

Ton naiit, ante, a. donderend; Jupiter —nant, Jupiter de dondergod: voix — nante, zware, bulderende stem; — nantes, f. pl. pauken,v.

Ton||ne, f. ton, vat; — d'or, ton gouds (100.000 gulden); — neau, m. ton, v. vat; ledig okshoofd: scheepslast van duizend kilogram, m.; ton of boei, v.; fam. — perré, verkwister; lig. du inème —, van dezelfde soort.

Toime||lage, m. kuiploon; —Ier, v. a. met

Sluiten