is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tors, e, (lat. torsus; de torquere,tordre) gedraaid, gewrongen, omgedraaid, verdraaid; verrekt, verstuikt;getwijnd;gewonden; houelie torte, scheeve mond; cou fors, iem. met krommen hals; fig. huichelaar; —. het twijnen, tweernen.

Torsade, f. gedraaide franje, v.; —s, pl. f. troetels, m. aan de epauletten; — s de la clievelure, de windingen der haarlokken, v.

Tor||se, f. gedraaid werk; —se, m. romp van een beeld, m.; gedraaide zuil, v.; romp vaneen mensch, m.; —ser, v. a. spiraal- of schroefvormig maken.

Torsion, f. het wringen, ineendraaien.

Tort, m. (lat. tortus, tordu) onrecht, ongelijk; schade, v, nadeel; a —, adv. ten onrechte, zonder reden: a — et a travers, loc. adv. in het honderd, in het wilde; mettre qn. dans sou —, het ongelijk op iemands zijde brengen.

Tortieolis, m. (lat. tortus, tors; collum, cou) scheeve of stijve nek, m.; lig. fam. huichelaar, schijnheilige, die het hoofd laat hangen.

Tortil, m. krans paarlen om de baronnekroon (in het wapenschild), m.

TortilI!lage, m. verwarde voordracht, verwarring van denkbeelden en woorden, v.; —lard,

e, a. krom gegroeid; —lard, m. iep of olm, m. met veel kromme takken; —Ie, f. slingerpad; —Ié, ee. a,ineengedraaid, gekronkeld; —lemeiit. m, draaiing, kronkeling, kromming, omwinding, wringing, vlechting, v.; fig. fam, draaierij, v. uitvluchten, v.; —Ier, v.a.(lat. tortus, tordu) draaien, krommen, omwinden, wringen, vlechten; fig. complimenten maken; —,v. n. fam. zich draaien en wenden; — lère. f. kleine laan. die met slingeringen loopt, v. slingerpad; —lis. m. klein gedraaid sieraad; —Ion, m. ineengedraaid voorwerp; wrong, die de melk- en groentevrouwen op het hoofd hebben, als zij de melk of de groenten dragen, v.; jong dienstmeisje; —loiuier, v. a. herhaaldelijk draaien, wringen; v. n. kleine uitvluchten zoeken.

Tortin, m. zeker tapijtgoed.

Tortioniiaire. a. tot pijniging dienend; onrechtmatig, onredelijk, gewelddadig.

Tortis. m. samengedraaide draden, m.; gevlochten bloemenkrans, m.

Tortu, ue, a. (lat. tortus; de torquere, tordre) krom, scheef mismaakt; lig. verkeerd.

Tortii||e, f. (bas lat. tortuca) schildpad, v.; stormdak der oudé Romeinen; vaartuig met dakvormig dek; Hg. fam. a pas de —, met langzame, trage schreden; —er, v. a. krom maken, krommen; — eusement, adv. met kromme bochten: —eux,euse,a. krom, bochtig; —osité,

f. kromte, kromheid, v.

Tortu||re, f. (lat. tortura) pijnbank, folterbank, v.; se doiuier la —, niettreson esprit » '« donner la — a sou esprit, zijn geest pijnigen of op de pijnbank brengen; — rer. v. a. op de pijnbank leggen, pijnigen, folteren.

Tol| r.v. m. Tory, lid der conservatieve partij in | Engeland, aristocraat; —rysme, — risine,'m. gevoelens der Tories; — ryste, m. aanhanger der Tories.

Toscan, ane, a. Toskaansch; —, m. et f. Toskaner, Toskaansche vrouw; ordre —, m. | Toskaansche bouworde, v.

Tos||te, m. doft, roeibank eener sloep of boot, v.; het drinken of inzetten van iemands ! gezondheid, toast, toost, m.; —ter, v. a. iemands gezondheid drinken, klinken (met de glazen). |

Tót, a. spoedig, straks, dadelijk, terstond, vroeg; — 011 tard, vroeg of laat.

Tota||l, ale, a. (lat. totus, tout entier) geheel, gansch, volkomen, totaal; —I, m. het geheel, de gansche som, v.; —lemeiit, adv. geheel, gansch; — liser, v. a. optellen, tot een totaal maken; —litê, f. het geheel, het geheele bedrag, de geheele som, v.

Tót-lait, m. soort gebak (gateau a la minute).

Toton, m. draaitolletje, met letters.

Touage, m. ankerkorting, inkorting van een schip, v.; het verhalen, het boegseeren van een schip; Ie — a (la) vapeur, het sleepen met stoomtrekkers.

Touaille, f. handdoek, roldoek, m.

Tour, m. zie Tong.

TotuKan, m. zeker sterrenbeeld; pepervreter, m. vogel met zeer grooten bek.

Toulleliaiit, ante, a. treffend, aandoenlijk, roerend; —, m. het treilende, pathetische; —eliant, prép. ten aanzien, aangaand, betreffend, over; f—eliante, f. raaklijn, v.

Toucliau, m. toetsnaald, v. van den goudsmid.

Tou||ehe, f. aanslag, m. op de piano; klavieren (van een orgel), toets van 't klavierbord, m.; stel snaren (eener luit), v.; grift; streek op den toetssteen; toets, penseelstreek, m.; lig. stijl, m. wijze van behandeling, v.; fig. fam. toets, stoot, m. ongelukkig toeval; pierre de —, toetssteen, m.; — clie a-tout. m. iemand, een kind, dat overal aan zit; fig. bemoeial; pl. des toiiehe-a*tout; —elié, ée, p. et a. getroffen, aangedaan; tableau bien —, schilderij, die goed bewerkt is, v.; —eher, v. a. raken, aanraken, aantasten, aanroeren; slaan; met kracht schilderen; den drukkersinkt strijken, opgeven; fig. roeren, bewegen, aandoeningen van medelijden verwekken; raken, aangaan, betreffen; faire — qeli. au doigt et a l'fleil, middagklaar aanwijzen of doen zien; — de 1'argent, geld ontvangen; — la grosse eorde, het voornaamste punt eener zaak aanroeren; il 11e fa ut pat* — cette eorde, men moet die snaar niet aanroeren; touehez-la, daar is mijne hand; ma inaisoii touche la siemie, mijn huis staat naast het zijne; — la liarpe, — du piano, op de harp, op de piano spelen; — de l'or, goud toetsen; —, v. n. raken, aanraken, aanroeren; ankeren, ten anker komen; — a sa tin, zijn einde nabij zijn; — de prés a qn., iemand van nabij bestaan; se —, v. pr. zich aanroeren, tegen elkander stooten of liggen; — eher, m. gevoel; het voelen: wijze van spelen (in de muziek), v.; étre doux au —, zacht op het aanvoelen zijn; —eheur, m. werkman die 't paard leidt in de leigroeven; inktrol, v. deisnelpers; — de boeufs, ossendrijver.

Tou||e, f. klein schuitje, achter een schip gebonden; het boegseeren van een schip; veerschuit, veerpont, v.; — ée, f. boegseer lijn, v. jaagtros, werptros, m.; porter une — en deliors. een werptros uitbrengen; anere de —, werpanker; —er, v. a. een schip verhalen, sleepen, boegseeren; se —, v. pr. zich laten boegseeren; —eux, .—eur, m. boegseerder, die een schip met een touw aan den wal voortsleept; —eux, —eur, m. ou anrre — euse, boegseeranker.

Toufle, f. bos haar, veren enz., m.; lommerrijk geboomte.

ToufTeur, f. (rad. étouffer) walm, m. uitwaseming, die uit eene zeer heete plaats voortkomt, v.