is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Traves||ti, m. fam. mansrol, v. die door eene dame gespeeld wordt; —tir, v. a. verkleeden, vermommen; fig. door eenige verandering onkenbaar maken; — un auteur, een schrijver op eene boertige wijze vrij vertalen of omwerken; «e —, v. pr. zich verkleeden, zich vermommen: lig. zich onkenbaar maken; hal —ti,gemaskerd bal; — tlsseraent, m. verkleeding, vermomming,

Travon, m. draagbalk, bindbalk, m. [v.

Tra vouiller, v. a. garen tot strengen haspelen.

Travure, f. achteronder (huisje op 't schip).

Trayeuse, f. koeienmelkster.

Trayon, m. fam. speen (eener koe, geit enz.), v.

Trébel, m. zekere plant, v. die dient om de Havanna-sigaren geurig te maken.

Trcbiillcltage, m. het sorteeren der muntstukken; —cliant, ante, a.overwichtig; — cliant, m. overwicht, uitslag, m.; — rliemeiit, m. p. u. struikeling, v. val, m.; —elier, v. n. struikelen; vallen; overwegen, doen overslaan; fig. een misstap doen, feilen; —chef, m. goudschaaltje; vogelknip, vogelslag, m.; mecsval, v.; valstrik, m.; prendre qn. au —, lig. fam. iemand vangen, in den knip krijgen.

Tredame, interj. bij Onze Lieve Vrouw!

Tréli||lage, m. het draadtrekken; —Ier. v. a. (lat. trahere, tirer; filum, fil) draadtrekken;

— lerie, f. draadtrekking, v.; werktuig daartoe; —leur, m. draadtrekker.

Trèlle, Triolet, m. (lat. trifolium; de tres, trois; folium, feuille) klaver, v. klaverblad; klaveren (in de kaart); roi, dame, valet, <lix de —, klaverenheer, vrouw, boer, tien; — d'eau, - de marai», waterklaver, v.

Tré||llé, ée, a. klaverbladvormig; mine —e, kruitmijn met drie kamers, v.; —lier, v. a. eene munt twee of drie maal onder den stempel doen.

Trèllerie, f. klaverveld.

Treloneier, m. grondheer, grondeigenaar.

Trefond», m. grond, ondergrond, m.; fig. eonnaitre Ie rondt» et Ie — d'iine affaire, eene zaak door en door kennen.

Treil||lage, m. traliewerk; staketsel, waartegen eenige boomen worden aangelegd; —lager, v. a. met latwerk voorzien; — lageur, m. die latwerk of hekwerk maakt; —Ie', f. (lat. trichila, berceau de treille) wijngaard, die tegen den muur van een tuin groeit, m.: jn» de la —, wijn, m.; — li», m. traliewerk, tralieraam; traliën, v.; trielje, v. grof zaklinnen; eage de —, traliekooi, v.; — li user, v. a. betraliën, met traliewerk voorzien.

Trei||zain. m. soort van munt, v.; —ze, a. (lat. tredecim)dertien; — zième, a.dertiende; —, m. dertiende deel; —ziéineiiient, adv. ten dertiende.

Tréjelltage, m. 't overgieten der gesmolten glasstof uit de smelkroezen; —ter, v. a. de glasstof overgieten.

Trélinguer, v. n. zwichten, zwichting maken (zeeterm).

Trélueher, v. a. doorkaaien; —, v. n. gijpen, overgaan (van de zeilen).

Trema, m. deelteeken, twee punten boven eene klinkletter.

Trémailler, m. kwartelnet.

Trein II blaie, f. populierbosch; — blant, ante. a.bevend, rillend, sidderend; —blant,m.beving j der stem in het zingen, of der snaren onder | het spelen, v.; tremulant in een orgel, m.; —blante, f. sidderaal (zekere krampvisch), m.

Trein 1| bic, m. ratelpopulier, espenboom, m.;

— bic, e, n. bevend, wankelend, trillend; ccri-

ture —e, met bevende handgeschreven schrift;

— blement, m. beving, siddering, schudding, dreuning; rilling, v.; beving der stemmen inde zangkunst, tremulant, v.; — de terre, aardbeving, v.; —bier, v. n. (lat. tremere) beven, sidderen, schudden, dreunen; rillen; —bleur. m. euac, f. hij of zij, die beeft of rilt; kwaker;

— blotant, ante, a. bevend, rillend, huiverig;

— blotement, m. lichte beving, siddering, v.;

— bloter, v. n. fam. beven, rillen, huiverig zijn.

Trémeau, m. ruimte tusschen twee schietgaten, v.

Trémelle, f. geleiachtige paddenstoel, m.

Trémie, f. trechter of tremel van een molen; trechter voor het zoutmeten, m.

Trémière, a. f. rose —, ou —, f. stokroos, v.

Tréinion, m. houten schraag, v. onder den tremel van een molen.

Trémoire, f. mengkoren van gerst en haver.

Trcmois, m. zomertarwe, v.

Tremolo, m. (mot ital.)het trillen (in de muziek).

Trcmous||semeiit, m. schudding, beving, trilling, v.; — de» aile», het klapwieken; —»é, e, a. levendig; —«er, v. n. met de vleugels slaan, heen en weer vliegen; »e —, v. pr. huppelen; zich schudden, zich bewegen; fig. zich druk weren; alles in't werk stellen; — »oir, m. schommelstoel, m.

Trein!|page, m. het doortrekken met vocht: het harden; — pe, f. harding van ijzer of staal; hardheid ervan, v.; het nat maken van het papier; fig. de bnnne —, van eene goede soort; e»prit de boiuie —, degelijke geest; ee «out de» gen» de la menie —, 't zijn lieden van denzelfden aard, van één slag; — pé, e, p. eta. geweekt, nat gemaakt, doortrokken; — de Mueur, doornat van zweet; vin —, met water gemengde wijn; aeier —, gehard staal; fig. caractcre bien —, krachtig karakter; — pée, f. weeking, doortrekking, v.; pak slaag; —per, v. a. (lat. temper are) weeken; inwateren, wateren; indoopen; nat maken, bevochtigen; — la Houpe, de soep verdunnen; — aon vin, zijn wijn met water mengen; — Ie Ter, het ijzer harden; — »e» iiiain» dan» Ie »ang, zijne handen in het bloed doopen; —, v. n. weeken; laisser — Ie liareng, haring in't water leggen; fig. ne pas vouloir — dan» qch., zich niet met iets willen inlaten; fig. — dans un crime, medeplichtig zijn aan eene misdaad; — perie, f. vochtkamer, v.; —pette, f. fam. beschuit, v. of brood in wijn gedoopt; —pi», m. vocht, waarin men iets heeft laten weeken, bijzonder zoutevisch of leder; zuur waarin men metalen doet weeken, om ze te zuiveren; — plin, m. springplank, aanloopplank der koordedansers, gymnasten, v.; — poire, f. weekkuip, v.; —pure, f. gewicht, dienende om den gang van een molen op zekere gelijkheid te houden.

Tréinue, f. spijgat in den pisbak aan boord; rand van de bunnen der visschers, m.

Tréuiulatioii, f. voortdurende beving, tremulatie, v.

Trcnitz (pr. nice), Trcnisse. f. eene der figuren, v. der Fransche quadrille (en avant train).

Tren||tain, m. dertig (in het kaatsspel); i —taine, f. dertigtal, getal van dertig; il est dan» la —, hij is in de dertig.

Tren||te, a. (lat. triginta) dertig; m. dertigste; —-et-quarante, zeker kaartspel, hazardspel; —tenaire. a. dertigjarig; — ticme. a. dertigste; —, m. dertigste deel van een geheel.