Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Triolet, m. dichtstukje van acht regels, waarin de eerste in den vierden en zevenden regel herhaald wordt; drie verbonden noten, v. welke de tijdswaarde van twee gelijkgeteekende noten hebben.

Trioinpliajjl, «Ie, a. tot eene zegepraal of een triomftocht behoorend; ehar —, triomfwagen, m. zegekar, v.; are —, triomfboog; — leinent, ady. in zegepraal, op zegepralende, zegevierende wijze.

Trioiii||pliant, ante, a. zegepralend, zegevierend; — phateur, m. zegepralend overwinnaar; —plie, m. (lat. triumphus) zegepraal, zegeviering, triumf; overwinning, zege, v.; are «Ie —, zegepoort, triomfboog; — plie, f. troef (in het kaartspel), v. troefspel; la — est de ereur, harten is troef; —plier, v. n. zegepralen, zegevieren, triomfeeren; overwinnen; fig. zich verblijden; ergens goed in slagen; zijn roem ergens in stellen.

Tripaille, f. ingewand, gedarmte der dieren.

Tripartite, a. f. in drie deelen verdeeld; liistoire —, zekere kerkelijke geschiedenis.

Tri||pe, f. Trlpes, f. pl.' pens, m. ingewand, darmen, m.; fig. et fam. rendre —set boyaux. het hart uit het lijf braken; fleuls a la —,aan schijfjes gesneden en met uien gestoofde harde eieren; —s, pl. — g (de velours), trijpfluweel.

Tripe-inadame, f. zie Trique-madame.

Trlperie, f. pensmarkt, v.

Tripétale, a. driebladig.

Tripette, f. fam. ingewand van klein vee of gevogelte; loc. prov. eela ue vaut pas —, dat is niet veel waard.

Triplitoiigue, f. (préf. tri et gr. phtoggos, son) drieklank, m.

Til || pier, m. lère, f. pensverkooper. -verkoopster; 7—, fig. fam. dubbelhartig mensch, man die goed en kwaad van iemand spreekt.

Trillple. a. (lat. triDlus) drieduhhel:

fam. a — étage, volslagen; — ple, m. het drievoud; —plé, ée, p. et a. verdriedubbeld, driemaal verdubbeld; — plemeut, m. verdriedub- ! beling, v.; derde verhooging der schatting, v.; I adv. op driedubbele of drievoudige wijze; —pier, v. a. verdriedubbelen, driemaal verdubbelen of verhoogen; —, v. n. driedubbel worden.

Triplijleata, m. (lat. triplicatus, triplé) | derde afschrift, drievoudig afschrift; —ee: la Tripliee, het Drievoudig Verbond(I)uitschland, ! Oostenrijk, Italië); —cité, f. driedubbelheid, drievoudigheid; — quer, v. n. op de dupliek antwoorden; —que, f. derde antwoord of wederlegging van de dupliek, v.

Tripo li, m. tripel, m. tot polijsting gebruikte steensoort; f—II, p. et a. mettripelaarde schoon gemaakt; f—lir. v. a. met tripelaarde schoon maken.

Trlpo||t, m.f kaatsbaan, v.; speelhuis; —ta?e. m. morserij, v. vuil mengelmoes van verschillende dingen; fig. zweudelarij,kuiperij; —tée, f. dracht slagen, v.; groote hoeveelheid of menigte, v.; —ter, v. n. door elkander mengen, morsen, knoeien; fig. konkelen, kuipen; v. a. bekonkelen; (met geld) woekeren; — teur, m. euse, f. —tier, m. lère, f. waard, waardin van 1 een speel- of dobbelhuis; eigenaar, eigenares van eene kaatsbaan.

Triptère, a. drievleugelig.

Triotoleme. m. Trintolemus. cnnstplino- van

Ceres; fig. et póót. art de —, landbouw.

Triptyque, m. m. schilderij, v. met twee vleugels.

Trique, f. fam. knuppel, m.

Triqueballe, m. voertuig voor het geschut. Trique-iiiadaiue, f. klein huislook, sedum. Trl||quer, v. a. hout enz. sorteeren; —quet, m. slagraket, waarmede men in de kaatsbaan

' speelt; — queur, m. lompensorteerder.

-j-Tri i| règue, m. pauselijke drievoudige kroon, v.; —rème, f. (lat. triremis; de res, trois; re| mus, rame) triremis, galei met drie rijen roei! banken, v.; —rote, f. driewielige velocipede, v.

Tris||aïeul, m. eule, f. overoudgrootvader, overoudgrootmoeder; —annuel, a. driejarig, dat drie jaren duurt (van planten).

Trisee||teur, triee, a. in drieën deelend; —tl011 (pr. sek-eion), f. deeling in drie gelijke

UCC1CII, V.

Trisuiégiste, m. (gr. tris, trois fois; megis tos, trés grand) kanonletter, v.; Trismegistus (bijnaam van Hermes).

Trisperuie, a. driezadig.

Trisser, v. a. driemaal doen herhalen (een i stuk door een zanger of speler).

Trissylla||be, a. drielettergrepig; — bique, ! a. een drielettergrepig woord betreffend.

Tris||te, a. (lat. tristis) treurig, bedroefd, moeilijk, zwaar; droevig, donker; fig. verdrietig; armzalig, schraal, erbarmelijk; prov. ètre — eotiime 1111 bonnet de nuit, van droefheid neergeslagen zijn; — eoiisolation, schrale troost; —teinent, a. droevig, treurig; —tesse, f. I droefheid, treurigheid, v.

i Triton, m. Triton (zeearod): watersalaman¬

der, m.; horenschelp, v.; — uien, ienne, a. terrain —, grond met overblijfsels van zeedieren.

Tritu || rable, a. dat verbrijzeld, tot poeder kan fijngewreven worden; — ratio». f. verbrijzeling, vermaling tot poeder, v.; —re, f. ervarenheid, bedrevenheid, v. in zaken; —rer, v. a. (lat. triturare) fijn stampen, vermalen.

Triumvillr (pr. trioine), m. (lat. trium, de trois; vir, homme) drieman, m.; —ral (pr. trioine). ale, a. tot het driemanschap behoorend; —rat, m. driemanschap, genootschap van drie.

Trivelin, m. wortelsteker, m. (tandmeesters werktuig).

Triviaire, a. earrefour —, driesprong, m.

Trivia||I, ale, a. (lat. trivialis; de trivi¬

um, earrefour ou aboutissent trois chemins) laag, plat, triviaal; alledaagsch; afgezaagd; —lement, adv. op gemeene wijze, plat; —llté, f. het gemeene, platte eener uitdrukking; gemeene platte uitdrukking, v.; alledaagsche, versletene zaak, v.

Trivium (pr. ome), m. de drievoudige schoolwetenschap. v. der Middeleeuwen.

Troe, m. ruiling, verwisseling, v.; — pour —, het eene voor het andere.

Troeart, Trols-quarts, m. instrument, waarmede men het bloed en water aftapt.

Troehaïque (pr. ka-ï), a. vers —, vers met de trocha?ische voetmaat.

Troelianter (pr. kantèr), m. dijbeensdraaier, m. (bovenst uitsteeksel aan het dijbeen, waar vele spieren en pezen eindigen).

Troelie, —s, f. pl. drek van herten enz. in den winter, m.

Troehée, m. trochreus, voetmaat in de Grieksche en Latijnsche dichtkunst, bestaande in eene lange en eene korte lettergreep, v.

Troeliet. m. vrucht-, bloembundel, m.; bos of tros vruchten, die aan de boomen hangen, m.

TrocTiile, m. holrond van een pilaar; kolibrie, v. vliegenvogel, m.

Sluiten