is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Viajge, m. leven, levenstijd, m.; i» adv. ™°r,.h.et 'e.ven, levenslang; -«er, ére, a. dat net lijf of den persoon aangaat; rente —«ére lijfrente, v.j m. plaeer en op lijfrente zetten; —gereinent, adv. levenslang.

\ ian||de, f. (lat. vivere, vivre) vleesch, spijs, v.; — Manche. vit vleesch, vleesch van gevogelte, konijnen, kalveren; — nenve vleesch dat voor den eersten keer opgedischt wordt; — noire. bruin vleesch van wild, van schapen, ossen; — de houeherie, slachtvleesch; «rosse , grof vleesch; inenue wildbraad, gevogelte; - faisandée, hasardee. lanff hAstnrvon vloac«l< . r.„

,'--—o .-..v.. ..vvou,,, — siimuiire,

heilzaam voedsel of onderwijs; fig. — creuse niet voedzame spijs, v. holle kost, m.; fig. se re pa ilre de -s crenses, zich met ijdele hoop of hersenschimmen voeden; la — priè les eens eene goede tafel wekt op tot eten; —der v. n! grazen, weiden, den kost zoeken: —dis (pr. di) m. het grazen of weiden der herten enz. >iatiuiie. m.(lat.viaticnm^-t00:.n.0M

penning, m.; het heilig avondmaal, hoogwaardig sacrament, dat den stervenden wordt toegediend.

Vibord, m. boordplank, v. rahout (van een schip).

\ihr||ant, ante, a. slingerend trillend: d'uii ton —, met doordringende stem; — ut ion f slingering, v. slingerslag, m.; trilling, v • —er v. n. (lat. vibrarel trillen, slingeren, zich bewegen; -ion. m. trilwormpje (een soort infusiediertje.

«inrisscs. f. pi. haren in de neusgaten van den mensch; haarvormige, bijna baardelooze veeren, v. (der vogels).

»ir«i,ire, m. (iat. vicarius, qui tient la

yivniua, qui nent ii

place d un autre) vicaris, plaatsvervanger, prees telyk stedehouder; -rle, f. Yiearlat, m vi carisschan. vicariaat.

\ica lrial, ale, a. tot het vicarisschap, be-

—. , —-in», in. vicariaat;

-rler, v. n. de vicariale diensten in eene paro-

Vice, m. (lat. vitium) ondeugd v. gebrek

onvnlmanl^tliQia

VlPP (Int V i f I o < ..

-—, ,UUI/Wu„; vuurvoegsei 011

vele ambts- en waardigheidsnamen, heeft dé

hotpol/nnio vnn. , ' .

..v.vvnv, „o * "iittci, wuui iieinenu, piaatsver vangend. *

\ ice-amiral, m. onder-admiraal, vlce-ad mi raai.

yiee-ainiraulé. f. vice-admiraalschap.

\ irP.hililli m nnrf oi-.l >q I imi-

Viee-ehaneelier, m. onder-kanselier, vice-

\ ice-eoiisul, m. onder-consul, vice-consul * ice-ronsulal, m. onder-consulschap, viceconsulaat.

Vice-gérance, f. onderbestuur.

V lee-gérant, m. onderbestuurder. Vlre-régent. m. onder-regent.

\ ire-légat, onder-legaat (van den Paus). \ iet-legatioii, f. vice- of onderlegaatschap. Viee-prelet, m. onder-prefect. Yiee-présldenee, m. ondervoorzitterschap, tiee-presideiit, m. onder-voorzitter, vicepresident.

J lee-reeteur, m. conrector, prorector. J ire-reetoraf, m. conrectoraat, prorectoraat. »ice-reliie, f. onder-koningin.

yiee-rol, m. onder-koning.

\ Ire-royautê. f. onder-koningschap.

Vice-sénéelial, m. onder-landvoogd. > 'cesunal, e. a. op het getal 20 betrekking hebbend; syateme -, twintigtallig stelsel.

* lee-versa (pr. vlee), loc. adv. (mot lat.) over en weer, wederzijds.

/r j'e'luI,ou ni. Vischnoe, m.

(Indische godheid).

• a* dat aan gebreken onderworpen is, dat gebrekkig worden kan; -é, ée, a. bedorven. Jlfin.n-pstnl/pn • «»•

--7 o—-" «• ucuerven; van

onwaarde, ongeldig maken.

Vicieu||»eineiit, adv. gebrekkig; e„Me a. gebrekkig, onvolmaakt; ondeugend; on-eregeld: nipt. o-pMifr

\ icinail, e, a. naburig, nabijliggend; rlieimns vieinnux, buurt- of bijwegen, m; -lité ; t. hoedanigheid van een' bijweg; rlieinin de irrailllp

\ iciNMitude, f. (lat. vicissitudo) verandering, wisseling, omkeering, wisselvalligheid, v. | ttrom||te, m. (préf. vice etcomte) onderj graaf; tegenwoordig: adellijke titel tusschen

graaf en baron; — tesne, f. onder-gravin* té

t. ondergraafschap; waardigheid eens ónder' graafs. v.

V'ictlmaire, m. offerdienaar; -ine. f (lat V.lcï!I^a> 0,rerdiel'. offerbeest, slachtoffer: fig! slachtoffer; -iner, v. a. offeren; He - v mzich opofferen.

yiftoliire, f. (lat. Victoria; de vincere vaincre) overwinning, zege: godin der overwinning, v.; —rial, e, a. dat de overwinning betreft-

— l'IPIlMPIIIPIlt :irl\' i-»r»

—; "f wiuiicnuo oi zegepralende wijze; -rieux, euse, e, a. zegerijk ; overwinnend. ® J '

ViIuli f r»1 1»..» ïj j_i _

..,,,. cii.-wniuueieii; —leur, m. •, leverancier der levensmiddelen; victualie- of proviandmeester der schepen, nu beter: nourvoyeur de vivre».

\jdngr, m. het ledigen.

vidallmr, rn. bisschopsleenhouder; —mé m. —inie, f. bisschopsleenhouderschap, ambt,'gebied van een vidame.

Vidiinlue, f. (rad. vider) het ruimen wegruimen van drekstoffen uit beerputten enz • maandelijksche uitslag van een herbergier m.: robuiet de —. smiikraan der I nr-nmnt iof

v. a. ontruimen, doen verlaten: sekreten, putten ruimen; -gen, f. pi. drekstoffen. v. uitwerpselen; —geur, m. opruimer van een sekreet, nutruimer, nachtwerker.

\ide, a. (lat. viduus) ledig, leeg; lig. tMe

—. dom. nnvprstnnrlicr ■

. .uciioui, — «If neiiH, np

raiNOII. '/nnHpr /in nf onmn^k ■ *

uiterst zwakke pols; lig. ewur —"'hart zonder gevoel; —, m. ledige plaats, v. het ledige, ledig

VJik. rn mfp v. fom .. ° "

_ j"' ,* J- ' •' v. gemis; a —,

adv. ledig, zonder er iets in te hebben.

\ l(lp.k<lll>Ailll>u m f., ™

d|cht bij de stad; pl. des vide-bouteilles,

\ de-ritrons, m. citroenuitknijper (werktuig). \lnelle, f. boor om vruchten uit te hollen,?.: pasteibakkers radje, waarmede hij het deegsniidt

> idP-llllfllPM rn 1!« _ i°, ,J . •

. r '«viinoiig llieuoeiSlUK.

waarin de vrouwen hare zakken ledigden

»ider, v. a. ledigen, uitdrinken; ledig maken' ruimen; uithalen: uitstorten, uitgieten,uitdoen: lig. afdoen. t.«n pinHp hmmron . '

, ^ uibuiuKcii; siecnten. ellpn pn rrplnb moUn. a „ i__ ^

, uuuisman (van laken); —, v. n. verlaten, ontruimen; se — afgaan, stoelgang hebben; minderei.; leeg, ledisr worden: flc. ntooHnn.. ' v.?L;

worden. ° ° "esl-''nl