Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Yideur. m. lediger.

Vidi|| mer, v. a. bekrachtigen of onderteekenen, voor echt verklaren (een afschrift eener akte); —mus, m. bewijs van bekrachtiging.

Vidreeome. m. bokaal, tafelbeker, m.

Viriuité, f. (lat. viduitas) weduwschap, weduwstaat, m.

Vidure, f. doorgeslagen of gepikeerd werk; het uitgesnedene, doorgeslagene; het uithakken, uitsnijden.

Vie, f. (lat. vita) leven; leeftijd, m.; levensgeschiedenis; wijze of manier van leven, v.; onderhoud, bestaan, kost, m.; fig. vermaak; vroolijkheid, v.: levensgeschiedenis, levensbeschrijving, v.; Ipn Vie» de l'liitarque, de Levens van Plutarchus faire la —, goede sier maken; attenter a la — de qn., een' aanslag doen op iemands leven; ent re la — et la mort. in groot levensgevaar; prov. qui n temp* a —, tud gewonnen veel gewonnen; la durée de la —, de levensloop, de levensduur; — d'ermite, d'anaehorête, kluizenaarsleven; — champètre, landleven; — noriale. puhliqtie, privée. maatschappelijk, openbaar. ambteloos leven: faire — de icarcon. een

los leven leiden; gagner ou etierelier m« —, zijn kost winnen of zoeken; deinander Ha —. zijn brood bedelen: faire — qui dure, zijne leefwijze zoo aanleggen, dat men het volhouden kan; il y va de la —, daar hangt het leven van af; a —, loc. adv. levenslang; puur la —, a la — et a la mort. loc. adv. voor altijd, in leven en sterven; de ma —, de la —, van mijn leven niet.

Viédase, f. fam. lompe vlegel, ezelskop, domoor.

Yieil, Vieux, Yieille. a. oud; lig. ne pat* faire de vieux oh, niet oud worden; vieux gar^on, vieille ülle, oude vrijer, oude vrijster; vieux eoinme Ie monde, zoo oud als de weg

van Kralingen; vieille drogue, oude kost, oude prullewaar; uil vieux de la vieille, een oud soldaat van de oude garde; un homilie de la vieille roelie, een man van den ouden stempel, van erkende rechtschapenheid; iioblenne de la vieille rorhe, oude adel; ami, liomine de la vieille roelie. fig. vriend, man van den ouden tijd, van bekende eerlijkheid.

Yieil||lard, m. oud man, grijsaard; —Ie. f. oude vrouw, oud wijf; — leinent. adv. op oude manier; op de wijze van oude wijven; —lerien, f. pl. oude lompen, versleten vodden, oude rommel, m.; verouderde gevoelens; — lenne. f. ouderdom, m. hooge jaren; —lir. v. n. oud worden, verouderen; uit gebruik raken; vervallen; —, v. a. oud maken, oud doen worden; —liHHant, e, a. verouderend; —linHement, m. veroudering, v.; het oud worden; —lot, otte, a. ouwelijk, oudachtig.

Viel I!Ie, f. lier, v.; —Ier, v. n. op de lier spelen; —leur, m. eune, f. liereman, lierspeler, lierspeelster.

VieiuioiH, e, a. van of uit de stad Vienne en van of uit Weenen; —. m. et f. Weener, vrouw uit Weenen.

Vierge, f. (lat. virgo) maagd; —, a. rein, ongebruikt; ongerept, ongeschonden; inetaux —gedegen metalen; argent, or —, ruw zilver, enz.; eire —, maagdewas; lm i Ie —, maagdenolie, v.; pareliemiii. —, maagdeperkament; vigne —, ongesnoeide wijngaard, m.; forèt —, maagdelijk, onbetreden woud; la Sainte —, de heilige Maagd.

Y'ieux, (lat. vetus, ancien). Zie Yieil.

Yieux-oiiig, m. wagensmeer.

Vif, Vive, a. (lat. vi vus; de vivere, vivre) levend: levendig; vlug,driftig; schoon, bevallig; geweldig, vinnig, gevoelig; forèt — ve, woud van levende boomen: poutre a — ve arète, balk, waarvan de hoeken niet afgehakt zijn, m.; eau — ve, wel-, bronwater; roelie — ve. rotssteen die diep in den grond gaat, m.; ha ie — ve, levende, groene heg, v.; de — ve voix, loc. adv. mondeling; — ve eanonade, hevig en aanhoudend kanonvuur; prendre une — ve part a qeli., hartelijk deel nemen, een levendig belang in iets stellen; ètre —, levendig, opgewekt zijn; air —, scherpe lucht; propon —», scherpe, beleedigende woorden; froid —, vinnige kou; ehaux —ve, ongebluschte kalk, m.: dartre — ve, dauwworm die altijd terugkomt; —, het leven, levend deel; levend vleesch: hart of binnenste van een boom; levend aas; eouper, tranelier daiiB Ie —, in het leven, gezonde vleesch snijden: fig. in het zeer tasten; doortastende maatregelen nemen; piqué, toiiehê au —. gevoelig beleedigd, getroffen.

Vif-argent, m. kwikzilver.

Vigeon, m. 11 uiteend, v.

Vigie, f. (lat. vigil, qui veille) uitkijk, m. matroos met de wacht in den mast belast; kustwachter; ètre en —, de wacht hebben (op schepen); —, blinde klip, v.

Yigier, v. n. de wacht houden, op den uitkijk zijn (op schepen).

Yigigraplie, m. scheepstelegraaf. v.

Yigilamment, adv. vlijtig, wakker, naarstig.

Yigilan||ee, f. waakzaamheid, wakkerheid, naarstigheid, zorg, v.; —t, ante, a. (lat. vigilare, veiller) wakker, vlijtig, naarstig, zorgvuldig, waakzaam.

Vigillle, f. (lat. vigilia, veille) dag of avond vóór een feestdag der Hoomsche kerk, m.; —len den uiorta. lijkdiensten, m. zielmissen, v.

Vigne, f. (lat. vinea; de vinum, vin) wijnstok; wijnberg, m.; pied de —, wijngaardrank; eulture de la —, wijnbouw; la — du Seigneur, de wijngaard des Heeren; ètre ilaiin

leH —h, dans la — du Seigneur, fam. een

hal ven roes hebben, half dronken zijn; Jeaii

den —h, tam. lompera.

Vigneron, m. wijngaardenier.

Yignelltage, m. het aanbrengen van vignetten op sigarenkistjes: — tte, f. vignet, rankwerk, bloem- of lofwerk, dat boven de hoofdstukken der boeken wordt gezet; — Kiste. m. vignettenmaker; —ture, f. lofwerk van wijngaardranken.

Vignoble. m. wijnberg, m. wijn land.

Vigogne. f. (mot péruvien) Peruaansch schaap; zijn wol, zijn huid, v.; cliapeau, ban de —, hoed, m. kousen van Peruaansche wol, v.

Yigorite, f. zeker knalpoeder.

Yigote, f. kaliberstok, kogelmal, m.

Vigou II reUBemeiit, adv. kloekmoedig, dapper, met kracht; —reux, eune, a. sterk, kloek, krachtig; kloekmoedig, dapper.

fViguerie, f. ambt van een landrechter.

Yigueur, f. (lat. vigor; de vigere, ètre fort) sterkte, kloekheid, kracht, v.; moed, m. dapperheid, v.; lig. geldigheid, v.; ètre en —, geldig, van kracht zijn (van wetten, gebruiken enz.).

Yiguier, m. voormalig landrechter in Languedoc en in Provence.

Vil, e, a. (lat. vilis) laag, slecht, gering, ver-

Sluiten