Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewelddadig; —lence, f. (lat. violentia; de violare, violer) hevigheid, v.; geweld, gewelddadigheid, v.; dwang, m.; faire — «t la loi, de wet verkrachten; se faire —, zichzelven geweld aandoen; —leut, ente, a. hevig, geweldig; onstuimig, driftig, oploopend; mouvement —, sterke, hevige beweging, v.; mort —e, gewelddadige dood, m.; homilie —, driftig, oploopend man; —leuter, v. a. geweld aandoen; —Ier, v. a. (lat. violare) schenden; verkrachten, scholFeeren, overtreden, verbreken.

Yiolllet, ette, a. violetkleurig, paars; —, m. violetkleur, v.; — leter, v. a. violet, paars kleuren; —lette, f. viooltje, violierbloem, v.; —lettepensée, f. driekleurig viooltje, pensée; —lier, m. violierplant, violierbloem, v.

Violon, m. (ital. violone) vedel, viool, v. vioolspeler, violist; Jouer du —, op de viool snelen: se douiier Ie» —s. fis:, fam. de viool¬

spelers betalen; excellent —, uitmuntend violist; premier, serond —, eerste, tweede viool; payer Ie» —s, fig. fam. de kosten betalen, terwijl een ander er de eer van heeft; — s, versterkingsstukken aan het end van den boegspriet, aan beide zijden van het kluivernet: —lonrelle, m kleine basviool, violoncel, v.; basvioolspeler, violoncelspeler; —lonrelliste, m. et f. violoncelspeler, -speelster; — loniste, m. et f. vioolspeler, vioolspeelster.

Yiorne, f. (lat. viburnum) sneeuwbal, v. (plantk.).

Vipóre, f. (lat. vipera) adder, v.; langue de —, addertong, lastertong, v.

Vipe||reau, m. jonge adder, v.; — rin, e, a. op een adder of slang gelijkend.

Yipérine, f. slangenkruid.

Yirage, m. het winden aan 't gangspil.

Virago, f. manwijf.

Yirebreouin. zie Yilebrenuin.

YireI! lal. m. zeker Fransch vers met herha¬

lingen en wederkeerende rijmen; —ment, m. het wenden, het door den wind gaan; — «Ie bord, het wenden; — de parties, vereffening of verrekening van schulden tegen andere.

Yirer, v. a. (een schip) draaien of wenden: — part ie, eene schuld vereffenen, afrekenen; —,v. n. tourner et —,fig.zich draaien en wenden, allerlei uitvluchten of omwegen zoeken; — de bord, wenden (over een anderen boeg); fig. de huik naar den wind hangen; — ventdevant, door den wind gaan, wenden; — vent arrière, halzen; — en carèiie, kielen; — en qtiille, met de kiel boven water winden; — a pic, op en neder winden.

Yireux, euse, a. giftig.

Virevau, Yireveau. m. braadspil, op kleine vaartuigen.

viic||vur, 1. iiiaaisiiuuui, ui .wutvuiiv, ui.,

—volte, f. schielijke wending, v. sprong, m. (van een paard); — vouwt—vousse, f. fam. het schielijk heen en weer loopen.

Virgi||iial, ale, a. (lat. virginalis; de virgo, vierge) maagdelijk: lait —, maagdemelk, v.; — naleuieiit, adv. op maagdelijke wijze.

Virgin ie. m. Virginia tabak, v.; —, f. zekere tulp. v.

Yirginité, f. (lat. virginitas; de virgo, vierge) maagdom, maagdelijke staat, m.; faire veen de —, gelofte van kuischheid afleggen.

Yirgouleuse, f. glanspeer, soort van sappige winterpeer, v.

Virgule, f. (lat. virgula) komma (,);

point-—, komma-punt; —Ier, v. a. van komma's voorzien.

Viri||l, ile, a. (lat. virilis; de vir, homme) mannelijk; fig. manhaftig, kloek, standvastig; portions —les, gelijke deelen; Age —, mannelijke leeftijd; — lenient, adv.mannelijk, moediglijk, dapper; —llté, f. mannelijke leeftijd, m.; manmoedigheid; voorttelende kracht, v.

Viro||le, f. beslagring, ring of band omeenig gereedschap of aan een rotting, m.; —Ié, êe, a. geringd; —let, m. houten neut, v. aan het roer. voor den kolderstok.

Yirtu||alité, f. vermogende kracht, v.; —el, elle, a. (lat. virtus, force) de kracht of het vermogen bezittend; krachtig om uitte werken; —ellement, adv. krachtig, met inwendige kracht; stilzwijgend en vanzelve; —ose, m. et f. (ital. virtuoso) grootste kunstenaar of kunstenares, virtuoos; — osité, f. kunstvaardigheid, v.

Virulenlee. f. etterachtigheid, boosaardigheid; fig. vinnigheid, hevigheid, v.: — t, ente, a. (rad. virus) etterig, venijnig, kwaadaardig; lig. vinnig, heftig, bijtend.

Yirure, f. omkring van het schip, m. hetgeen een schip omgeeft; — de gouttiêre, watergang- . . .

\ Irus (pr. ruee), m. (mot lat. qui signilie poison) smetstof, aanstekingsstof, v.

> is (pr. viee;, i. scnroei, v.; esrtturi « —, wenteltrap, v.

Visa||ge, m. gezicht, aangezicht; tourner —, het gezicht afwenden; faire bon ou inauvais — a qn., iem. vriendelijk of onvriendelijk ontvangen of behandelen; fig. trouver — de bols, eene geslotene deur, niemand te huis vinden ; se composer Ie —, zijn gezicht in eene plooi zetten; changer de —, verbleeken. rood worden: van gelaat veranderen; — gière, f. voorzijde of strook, v. eener vrouwenmuts.

V ia-at-vi». adv. et prép. — de, tegenover, voor; fig. se trouver — de rien, van alles ontbloot zijn; —, m. rijtuig voor twee personen recht over elkander, v.; persoon, die bij 't dansen, aan tafel, enz. tegenover een ander geplaatst is: avoir une dame pour —, eene dame (aan tafel) als overzittende hebben.

> isceral, ale, a. tot de ingewanden oenoorenu.

Vlscère, m. (lat. vis eer a) ingewand.

Yiscositc, f. (lat. viscosus, visqueux) slijmerigheid, v.; slijmachtig vocht.

Visée, f. (lat. visus, vue) het aanleggen, mikken, mikking (als men aanlegt om te schieten), v.; fig. fam. plan, oogmerk, voornemen, doelwit; clianger de —, van bedoeling of plan veranderen; avoir de bautes —s, grooteplannen in 't hoofd hebben.

Yiser, v. n. mikken, turen, loeren; met eene handteekening bekrachtigen; fig. — a qeh., iets beöogen, bedoelen; —, v. a. mikken,aanleggen op.

Viseur, m. mikker.

Visi bilitc, f. zichtbaarheid, v.; —ble, a.(lat. visibilis; de vide re, voir) zichtbaar; klaar, blijkbaar, openbaar; — blenient, adv. zichtbaar; op zichtbare wijze.

Visière, f. (v. fr. vis, visage) vizier; fig.fam. geest, m. denkvermogen; rompre en —, fig. op onbeschofte wijze uitvaren; donner dans la —, fig. in het oog loopen.

Visif, ive, a. het gezichtsvermogen betreffend; —, m. vermogen om te zien.

Yisigoth, m. Westgoth; fig. lomp mensch, onbeschaafde vlegel, kinkel.

Sluiten