Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk moe van het brievenschrijven, ging hij er zelf op uit.

's Morgens vroeg ging hij naar de city, netjes aangekleed, zich presenteeren in de groote winkels, maar ook daarvan kreeg hij gauw genoeg.

Het eerste wat men hem vroeg was, waar hij vroeger geweest was; wanneer hij dan vertelde dat hij uit Europa kwam, keken de menschen hem aan met een verdacht glimlachje, zeggend dat er geen plaats open was.

Vooral die glimlach hinderde hem. Het was alsof zij hem wantrouwden en verdachten van oneerlijkheid.

Hij had het al dikwijls opgemerkt, vooral wanneer hij vertelde van zijn „thuis" en zijn vaders zaak.

De menschen spraken dan gauw over iets anders, hem aankijkend alsof zij zeggen wilden, dat zij 't al wisten.

Op een keer vertelde hij het aan een bankiersklerk, die in de kamer naast de zijne woonde.

Ze hadden vertrouwelijk gesproken, en eensklaps erg vriendschappelijk zei de klerk dat Lef dat vertelsel van weelde niet doen moest. De menschen geloofden het toch niet.

„Zie je . . . zei hij ... ik natuurlijk wel. ..

Sluiten