Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo trotsch was hij, dat hij zich met de andere landverhuizers niet bemoeien wilde.

Eindelijk, na dagen ziek-zijn, kwam hij in het beloofde land.

Het eerst van allen was hij aan wal.

De huizen waren niet van zilver, de straten niet van marmer, zooals hij gedroomd had.

„Daarachter liggen ze," dacht hij, dragend den zakdoek met zijn eigendommen.

Isa een poosje loopen zag hij tusschen het vuil van steenen een zilverstukje liggen, verleidelijk glinsterend in het zonlicht.

Een oogenblik dacht hij er over of hij het oprapen zou, toen wandelde hij fier voorbij. Zij zouden hem voor zoo'n kleinigheid niet zien bukken!

Hij wandelde door, recht voor zich uit starend, zoekend naar de stapels goud.

Hij wandelde en wandelde altijd door, maar den goudberg vond hij nooit.

„Zoo is het ook met jou! Het zilverstukje zal je wel vinden, zelf moet je er goud van maken, maar door bergen van vuil zal je moeten kruipen."

„Door bergen van vuil!"

Ja, hij wilde kruipen, als hij maar wist dat hij er komen zou.

Sluiten