Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werden de menschen uiteengedreven door een agent, die zei, dat zij doorloopen moesten.

Tegen een deur geleund, stond een vrouw, bij den rok gehouden door een smerig gekleed kindje, amper oud genoeg om te kunnen loopen.

„Allo!" zeide de dienstman, haar aan den arm schuddend, „doorloopen!"

Zij tilde het kind van den grond en ging langzaam weg, voetje voor voetje, telkens omkijkend naar de deur, waarachter de man verdwenen was.

Daar ging misschien ook een fortuinzoeker, dacht Lef treurig, een, die gehoopt had zich rijk te werken, en nu genomen had, wat hij met eerlijk-zijn niet verdienen kon.

Slenterend door de breede beasfalte avenue tusschen de bruin-steenen rijkelui's woningen met wit-marmeren voordeur-trappen, kraak-zindelijk, alle eender, kwam hij aan het park vol kleurig gekleede dames en heeren en jolig kwebbelende kinderen. Over de river-drive bewogen zich sierlijke tweewiel-rijtuigen, hooge karretjes bestuurd door voorname pretzoekers.

Op een van de banken in een rots-inham ging hij zitten, gedachteloos turend naar de voorbijtrekkende menigte, nu en dan een bootje naoogend, waarin in rood-wit-tricot gekleede roeiers zich oefenden voor de te houden universiteitswed-

Sluiten