Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zulke hartstocht was het immers die de eerste Hervorming met dien verregaanden afkeer van Rome vervuld had.

Doch ik verlang niet minder mij vrij te houden van overdrijving. Daarom zij al aanstonds opgemerkt, dat niet alle protestantsche schrijvers der drie laatste eeuwen, zich altijd en in dezelfde mate aan dit eenzijdig systeem hebben gehouden. Vooral in onzen tijd, en sedert de laatste vijftig jaren, ontmoet men in hunne historische geschriften een meer billijk, minder kleingeestig oordeel; niet alles wordt meer bezien met liet sterkgekleurde oogglas der No-poperymannen. Om dit goed te doen uitkomen, gaf ik allereerst het woord aan Macaulay. Te gelijk, meende ik, zou zijne voorstelling kunnen strekken ter wederlegging van de nog aan te halen schrijvers, die, de Kerk en hare instellingen besprekende, stijf vasthouden aan hun bekrompen vooroordeel.

Het lijdt wel geen twijfel: afkeer, haat tegen Rome was een soort van levensbeginsel voor 't opkomend Protestantisme. Daarmede wordt niet enkel bedoeld, dat zij die zich in de armen van Luther hadden geworpen, daarmede ook afkeerig werden van de Moederkerk. Zoodanige bewering ware geheel overbodig. Het ligt immers in den aard deizaak, dat het verlaten zelf van de Kerk gepaard moest gaan met eene verwijdering der gemoederen, met eene vervreemdheid van wat men verliet. Dat zelfde verschijnsel had men ook in vroegere eeuwen gezien, zoo dikwijls eiketterijen ontstonden; en het had niemand verwonderd. Neen, maar in de 16e eeuw was die afkeer niet slechts een bijkomend iets ; 't was een levensprinciep der opkomende Reformatie. Zeker althans van haren schepper. De haat tegen Rome, tegen den Paus, was bij Luther een tweede natuur geworden, eene soort van monomanie. En door hem werd die overgestort in zijn eerste volgelingen, medegedeeld ook aan de voorgangers van de andere, spoedig opkomende, hoewel hem vijandige secten.

Sluiten