Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke leer die in de Nederlandsche Gereformeerde Kerken en scholen geleerd wordt." Van de uitgaven van deze eeuw heb ik voor mij liggen den vijfden druk, die in 1870 te Kampen het licht zag. Daarmede moeten wij kennis maken. Het zal ons blijken, op hoe onredelijke gronden bij de Protestantsche jeugd een dubbel vooroordeel tegen de Katholieke Kerk aangekweekt wordt. Die Kerk zou de rechten miskennen van onzen Heer J. C. door in Hem niet te zien den „éénen Middelaar Gods en der menschen" (1 Tim. 11:5), — en zij zou dit vooral doen, door, in strijd met de schriftuur, ongeoorloofde eer aan de heiligen Gods te bewijzen. Iedereen ziet het nauwe verband dat er tusschen deze twee vooroordeelen bestaat. Dat zij, helaas! bij de Protestanten ook van onzen tijd diepe wortelen hebben geschoten, weet wel een ieder; maar op hoe losse gronden, dat zal ons nu weder blijken uit bovengenoemden Catechismus.

„De 11e Zondag" handelt over God den Zoon. Nadat hier als antwoord op de 29e vraag (de 1'' van het hoofdstuk) zeer te recht is gezegd, dat de Zoon Gods, Zaligmaker genoemd wordt, „omdat Hij ons zalig maakt, en van onze zonden verlost. Daarbeneven, dat bij niemand anders eenige zaligheid te zoeken of te vinden is", wordt de 30e vraag aldus gesteld: „Gelooven dan die ook aan den eenigen Zaligmaker Jezus, die hunne zaligheid en welvaart ') bij de heiligen, bij zich zeiven, of ergens elders

1) „Wolvaart". Dat woord in schijn zoo argeloos, verbergt al, dunkt mij, een sofisme. Deze 30e Vraag staat hier klaarblijkelijk als eene gevolgtrekking uit het vorige Antwoord (Men lette op: „gelooven dan..."). Daar echter (in 29) was enkel spraak van de zaliijheid (de eeuwige goederen); hier echter wordt behendig liet woord „welvaart" er bijgevoegd, dat meer zegt dan bewezen is, of bewezen kan worden. Of zou men zijne (tijdelijke) welvaart bij de schepselen niet mogen zoeken, wanneer dit klaarblijkelijk geschieden kan zonder overtreding van de geboden van God?

Sluiten