Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoeken?" Men voelt aanstonds waarop dat gemunt is. Het zal nog duidelijker worden uit het antwoord. Maar alvorens dit af te schrijven wil ik eerst ter toelichting, van mijnen kant ook eene vraag stellen. In elk welgeordend huisgezin zullen toch wel de kinderen hun tijdelijke „welvaart" ') en geluk, zeker in de eerste plaats moeten zoeken en vinden bij hunne ouders. Dat zij dit ook erkennen is plicht. Maar nu vraag ik: Is daarmede in strijd, dat het kind, wanneer het vergiffenis voor eenig vergrijp, of ook andere gunsten van zijne ouders wenscht te verkrijgen, dat het dan, uit schroom b.v. om een vergramden vader aanstonds alleen onder de oogen te treden, de tusschenkomst inroept van een ouderen broeder of zuster ? En zullen de ouders daarover gebelgd zijn, er eene miskenning in zien van de hun toekomende rechten, van hun gezag als vader of moeder? En toch ook hier kon men beweren, dat het kind niet bij zijne ouders alleen, maar bij broeder of zuster zijne welvaart gezocht heeft. En zou het zoo ongerijmd zijn, zoo iemand, om eene koninklijke gunst te', verwerven, do voorspraak inriep van een hoveling of minister des Konings ?

Doch herhalen wij nu nog eens de 30e Vr., en hooren wij dan daaarop hot onverbiddelijk antwoord: „Gelooven dan die ook aan den éénigen Zaligmaker, die hunne zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zich zeiven of ergens elders zoeken? — Antw. Neen zij; maar zij verloochenen met der daad den eenigen Heiland en Zaligmaker Jezus, of zij schoon Zijns mot den mond roemen, want van tweeën een: of Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn. of die dezen Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, wat tot hunne zaligheid van noode is." Verpletterend niet waar voor den Katholiek. In schijn ja, maar ook niets meer. Zelfs het vreeselijk dilemma op

1) Gelijk een ieder ziet bezig ik hier slechts eene vergelijking, waarin natuurlijk van „zaligheid" geen spraak kan zijn, maar enkel van tijdelijke welvaart. Maar dat is ook ter toelichting genoeg.

Sluiten