Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Want ik hen de Heer, de sterke, ijverende God". Ditzelfde is het ook, wat men zoo herhaaldelijk in de Psalmen, in de Profeten kan lezen, de dringende waarschuwing tegen het vereeren der heidensche beelden, die niets zijn dan hout, steen of metaal, die niet hooren noch zien, en onmachtig zijn om hun vereerders te helpen. Want die werden maar al te dikwijls door het verdwaasde volk, in navolging der heidenen, als goden aanbeden. Die verlagende afgoderij was het, die op Sinaï ten aanhooren van geheel Israël werd veroordeeld, en die dus ook in het eerste gebod van den Decaloog, als rechtstreeks in strijd met Gods eer, staat gebrandmerkt.

Nu de zin, de bedoeling van het 1© Gebod (volgens Galvijn s indeeling, van de twee eerste geboden) van den Decaloog is verklaard, zullen wij beter begrijpen, hoe weinig datgene steek houdt, wat de Heidelbergsche Catechismus daaruit afleiden wil tegen de katholieke heiligen vereering. Men hoore: „Wat gebiedt God in het eerste gebod? (34e Zondag. Vr. 94). Antw. Dat ik zoo lief als mij mijner zielen zaligheid is, alle afgoderij, tooverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof, aanroeping der heiligen, of andere

schepselen, mijde en vliede " Men ziet, waarom het

eigenlijk te doen was. „Alle afgoderij", enz. volmaakt wel; maar hoe daar de „aanroeping der heiligen" in éénen adem bij wordt genoemd, blijft een onopgelost raadsel. Maar hooren wij nu deze wetverklaarders over de beelden :

„Mag men dan ganschelijk geene beelden maken: (35e Zond. \ r. 97) Antw. God kan noch mag in geenerlei wijze afgebeeld worden '). Maar de schepselen, al is het

1) Deze quaestie, als buiten mijne stof liggende, laat ik onbesproken. Toch wil ik doen opmerken, dat hier kortaf wordt beweerd, wat voor een ieder zoo duidelijk niet is. Dat God zelf, hoewel geheel onstoffelijk, zich nu en dan onder zichtbare vormen aan eenige zijner dienaren openbaarde, blijkt uit de h. Schrift: dat

Sluiten