Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sten der nieuwe leer. Bepalen wij ons bij een paar getuigenissen.

Onze Erasmus had in den beginne zelfs zijne goedkeuring geschonken aan het optreden van Luther. Maar de teleurstelling bleef niet lang uit. In 1524 al schrijft hij aan den hertog Georg van Saksen: ,.Ik zie, hoe er onder de leus van het Evangelie een onbeschaamd geslacht opgroeit zoodanig van aard, dat het ondragelijk zal worden voor Lutiier zelf." En die voorspelling werd spoedig bewaarheid. In 1532 verscheen Lutiier's Hauspostille. E11 wat treurige bekentenis doet ons daar de vader der Hervorming vernemen! „De wereld wordt ten gevolge dezer leer hoe langer hoe slechter... Zooals men dan ziet, dat de inenschen thans gieriger, onbarmhartiger, onkuischer, meer onbeschaamd en erger zijn dan vroeger onder het Pausdom." Geen vooruitgang voorwaar!

Dezelfde, of nog heviger klachten kan men in Lutiier's werken bij honderden vinden. Ijzingwekkend b. v. is. wat hij van de belijders der nieuwe leer schrijft in zijne verklaring van den ln Brief aan de Korinthiërs: Hij ziet zich ook verplicht te erkennen, dat die zedelijke achteruitgang een natuurlijk gevolg was van de door hem opgezette leerstelling, dat God niets van den mensch vordert dan liet geloof. Men hoore maar eens, wat hij aanteekent bij Paulus' Brief aan de Galaten : „Zoodra zij van de vrijheid [de vrijmaking van de goede werken] gehoord hebben, weten zij er zich ook op te beroepen, en zeggen: Ben ik vrij dan mag ik ook doen wat ik wil;... worden wij niet zalig 0111 onze goede werken, waarom zou ik dan nog aalmoezen geven? Zij maken uit de geestelijke vrijheid eene teugellooze vrijheid des vleesches, Zij zijn zevenmaal erger onder den naam der (Evangelische) vrijheid, dan zij onder 's pausen tyrannie geweest zijn." (Uit die laatste woorden blijkt tevens, dat de toestanden vroeger in de Kath. Kerk nog zoo slecht niet waren, als de teekening van Groen deed vermoeden).

Dat betuigt hij weder in zijn uitleg op Mattheus : „Zoo wij christenen zoo vlijtig waren in onze werken als de monniken, dan waren wij louter heiligen."

Met dit weinige meen ik te kunnen volstaan. Wie daaromtrent meer verlangt te weten, ook uit de getuigenissen van andere tijdgenooten. raadplege de drie deelen van Döllinger's Reformation. Ongebondenheid, zedeloosheid, dronkenschap (voor-

Sluiten