is toegevoegd aan uw favorieten.

De verloofden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewaar wordt dan een stukje hemel en hier en daar den top van een berg. De hooge wegen daarentegen laten het uitzicht vrij over de vruchtbare en rijke landouw, een uitzicht, dat echter door het steeds afwisselend klimmen en dalen van den weg en door het gedurig veranderen van standpunt, waardoor het gezicht dan eens zeer uitgestrekt, dan weder door vooruitstekende bergen of rotsklompen meer beperkt is, elk oogenblik een geheel nieuw tooneel den verrasten reiziger aanbiedt. Hier eene streek lands, daar weder eene andere, hier een gedeelte van dien uitgestrekten en gedurig anders zich voordoenden waterplas, die zich nu eens verliest in een labyrint van bergen en hoogten, dan weder zijn vorig grondgebied schijnt te willen hernemen en de bergen terug te dringen, wier toppen, met de dorpjes op den oever gelegen, bevallig in den helderen waterspiegel worden teruggekaatst, en zich de een voor de ander na in hunne ware gedaante aan den steeds voortgaanden wandelaar opdoen. Nu eens vertoont zich het water als rivier dan als meer, dan weder als rivier, als een helder schitterend lint de bergen omslingerende, dat, hoe langer hoe smaller wordende, eindelijk met hen zich aan den horizon in één gelijkvormige blauwe tint verliest. De plaats zelve eindelijk, van waar men dit verrukkelijk schouwspel geniet, levert den elders zich bevindenden aanschouwer, van welke zijde hij naderen moge, een niet minder merkwaardigen aanblik. De berg, wiens afwisselende hoogten' en zijden men overgaat, verheft voor den lager voortgaanden wandelaar van alle kanten zijne toppen en rotspunten, nu eens duidelijk en van elkander afgescheiden, dan eens als inééngesmolten en tot eenen wijd uitgestrekten bergrug samengedrongen, terwijl hetgeen op het eene oogenblik een vooruitstekend punt der helling scheen, een oogenblik daarna zich als het hoogste toppunt van den berg vertoont, en het bevallige en bewoonde aanzien van de zijden des berg op eene aangename wijze het woeste voorkomen van de overige gezichtspunten tempert en den prachtigen indruk, dien het geheel op den aanschouwer maakt, niet weinig versterkt en verlevendigt.

Het was tegen den avond van den 7den November van het jaar 1628 dat langs een dier zoo even beschrevene wegen Don Abbondio, pastoor van eene der gedachte dorpen, zeer op zijn gemak van eene wandeling huiswaarts keerde. De naam van het dorp is evenmin in het handschrift vermeld als de afkomst van den persoon. Al voortwandelende prevelde hij zijne getijden, nu en dan eens zijn boek toedoende en het met den wijsvinger der rechterhand er tusschen, om te weten waar hij gebleven was, in zijne beide handen op den rug houdende, terwijl hij, met de oogen ter aarde geslagen, de keisteenen, die hem in zijn weg hinderden, met den voet tegen den muur schopte, en vervolgens, de oogen opslaande, deze langzaam over het hem omringende tooneel liet weiden, ze eindelijk vestigende' op den top eens bergs, op welks vooruitstekende rotsklompen het reeds achter de tegenoverliggende hoogten verdwenen, maar nog door de openingen hier en daar doorschijnende zonlicht breede en ongelijkvormige strepen van de schoonste purperkleur vormde. Zijn getijdeboek nu weder geopend en een eind voortgelezen hebbende, kwam hij eindelijk aan een hoek van den weg, waar hij altijd gewoon was zijne oogen op te slaan en vooruit te zien; en zoo deed hij dan nu ook dezen avond. Achter dien hoek liep de weg omtrent een zestig schreden recht voort, en verdeelde zich dan in twee weegjes in de gedaante van een hooivork, waarvan het eene naar boven, naar de woonplaats des pastoors, het andere naar de vallei en eene daardoor vloeiende beek leidde. Aan deze zijde was de muur zeer laag, en kon men gemakkelijk ter halve lijf er over heen zien. De binnenmuren der twee paadjes liepen uit op een kapelletje, hetwelk den hoek vulde dien zij maakten, en beschilderd was met zekere lange, slangsgewijze en puntig uitloopende figuren, die naar de bedoeling van den kunstenaar en ook in de oogen van de in den omtrek wonende landlieden vlammen moesten verbeelden, tusschen welke vlammen