Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schap, daar hg door eene zaak van aanbelang belet werd zich weder bii hen te voegen Toen de knecht vervolgens terugkwam met de tijdL^dat d5 heeren vertrokken waren na aan hem hunne groeten voor den heer des huizes eelaten te hebben, vroeg Don Rodrigo, steeds voortwandelende: „En de graaf AtóUo *" „Die is met die heeren medegegaan, edele heer!" Attilio .

„Goed. Zes man voor gevolg om eene wandeling te doen schieliik» Miin zwaard, mijn mantel, mijn hoed, schielijk!" cnielijk. Mijn

W ^ knech' b0°g zich, e" vertrok, en kwam een oogenblik daarna teru- met het rijk vergulde zwaard dat zijn meester aangordde, met den mantel dien hh

een ™et, ,h°ed met waPPerende pluimen, dien hij opzette en met

een fikschen vuistslag als op zijn hoofd vastnagelde, altijd het teeken van Ten boozen dag Aan de deur vond hij zes bandieten, ^an 't hoofd tot deToeten gewapend, die na gebogen en ruim baan gemaakt te hebben hem od den voet volgden Barscher, trotscher en norscher van uitzicht dan gewoonlijk ginghH op weg en deed eene wandeling naar de zijde van Lecco. De boeren en handwerks lieden kropen angstig naar den muur, zoodra zij hem zagen aankomen en daar zoo dicht mogelijk tegen aangedrukt, stonden zij te buigen en dienaars te maken waarop hij zich niet verwaardigde te antwoorden. Zij zelfs, die door deze heeren genoemd werden, bogen zich voor hem als zijne minderen, daar er in den geheelen omtrek niemand was, die met hem zelfs maar op eenigen afstand kon

aïlÏTT Hn naam' m 1kd°m' betrekkingen en in den wil om zich van dat alles te bedienen om anderen te overheerschen. De groeten van dezen beant

™ f h'J. "]et e5ne Stadige vriendelijkheid. Op dien dag gebeurde het niet aar als hij den Spaanschen Castellaan ontmoette, dan was de buiging van weerszijden even diep. Zij stonden tot elkander als twee mogendheden die Jete met elkander te maken hebben, maar die uit welvoeglijkheid elkander de eer geven, die hun aanzien en hun rang toekomt. Om den tijd te wff en tevens

m0o°nn,f HSt; ha 6 geflcbten oprekken het beeld van dien onheilspel enden monnik dat hem nog altijd voor den geest was uit te wisschen, trad Don Rodrigo een huis binnen, waar een gezelschap bijeen was, dat hem met die dienstvaardige

SSnd órmvine'wdk' t8ewoonliik b«°°"<

, ® J , . zeer ,bemind of zeer gevreesd weten te maken. Tegen den avond teruggeeiennaar ^ kaSt6el terUg' waar «»e graaf een oogenblik® te voren was

... JisiïriJEope,,draEm-Don Rodrlgo *en *pr,k ™ ™

„Wanneer voldoet gij die weddenschap, neef?" vroeg <rraaf Attilm ™ spottenden toon, zoodra de tafel afgenomen en de bedienden vertrokken waren „Sint Maarten is nog niet voorbij." n waren.

„Ik zou haar toch maar schielijk voldoen; want ik denk dat eer al de Sinten van den almanak voorbij zullen zijn, eer ointen

„Dat is juist wat te bezien staat."

„Hoor eens, neef, gij houdt u goed; maar ik heb alles begrepen en ik ben

zoo zeker dat ik de weddenschap gewonnen heb, dat ik oogenblikkeliik bereid ben eene andere aan te gaan." S KeiiJK oereia

„Wat?"

„Dat vader.... vader.... hoe heet hij nu ook weer?. HU dat die monnik u bekeerd heeft." ... nu, dat die

„Dat is zeker eene inbeelding, zooals gij er wel meer hebt."

c k-iTw ' ,ne? ' bekeerd.zeg * u. Ik voor mij ben er waarlijk mede in miin mpt h at Z| eCne stichteliJke vertooning zijn, gij in deemoedige houding

ne erg.±slagene oogen! . . . . En welk een eer voor dien vader' Wat zal hii een borst opgezet hebben, toen hij naar huis ging. Dat zijn geen vischjes, dil

Sluiten