Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men zoo in alle waters vangt, en ook niet met alle netten. Wees verzekerd dat hij u als een stichtelijk voorbeeld overal zal bijbrengen: en als hij eens als zendeling uitgaat, dan zal hij van u verhalen, dat beloof ik u. Mij dunkt ik hoor hem al." En hierop een gemaakten preektoon aannemende, ging hij voort, met belachelijke overdreven gestes: „In een gedeelte van deze wereld, hetwelk ik om wijze redenen nu niet noemen wil, geliefden! leefde eens en leeft nog een ridder, die geheel overgegeven was aan de booze lusten des vleesches, die meer een liefhebber was van de vrouwen dan van de vrome mannen, die geheel en al wandelde naar de begeerte zijnes harten, en niet vroeg naar God noch naar zijn heilig woord. Deze ridder nu had zijn oog laten vallen op . . .

„Genoeg, genoeg," viel Don Rodrigo hem, half lachende, half verstoord in de rede. „Wilt gij dubbel wedden, ik ben bereid!"

„Duivel! Dat gij den vader bekeerd hebt?"

„Spreek mij niet van hem; en wat de weddenschap aangaat, dat zal Sint Maarten beslissen. De graaf, wiens nieuwsgierigheid hoe langer hoe meer was opgewekt geworden, spaarde geene vragen, maar Don Rodrigo wist ze alle te ontduiken, door zich eenvoudig aan Sint Maarten te houden, en zonder zelfs iets van zijne plannen aan zijn neef mede te deelen, die echter ook nog niet eens alle bepaaid, veel minder in werking gebracht waren.

Toen Don Rodrigo des anderen daags morgens ontwaakte, was de schrik, dien dat: „Er zal een dag komen!" hem verwekt had, met de droomen van den afgeloopen nacht verdwenen; en van het bezoek van vader Cristoforo bleef hem niets anders over dan de toorn, dien het in hem opgewekt had, nog versterkt door de spijt over die voorbijgaande zwakheid. De daarentegen verlevendigde voorstelling van zijne zegevierende wandeling, van de buigingen, van de groeten, van de beleefdheden hem bewezen, van de preek van neef Attilio, hadden niet weinig toegebracht om hem weder geheel in zijne oude stemming te brengen. Nauwelijks was hij opgestaan of hij deed Griso roepen. — Zaken van belang! zeide de bediende in zichzelven, aan wien dit bevel gegeven werd, daar de man, die dien bijnaam droeg, niets meer of minder was dan de kapitein der bravo's, de man aan wien de gevaarlijkste en gewelddadigste ondernemingen werden toevertrouwd, de vertrouwde van zijn meester, de in alles beproefde dienaar, aan hem verbonden door verplichtingen zoowel als door eigenbelang. Vervolgd om manslag, had hij zijne toevlucht genomen tot de machtige bescherming van Don Rodrigo, en deze had hem voor alle vervolging gevrijwaard door hem in zijn dienst te nemen, terwijl hij zelf, door zich te verbinden tot het uitvoeren van alle misdaden welke hem bevolen werden, zich de straffeloosheid voor de eerste welke hij begaan had had weten te verzekeren. Voor Don Rodrigo was dit geene verwerpelijke aanwinst, want behalve dat Griso verreweg de dapperste was van al zijne bandieten, zoo was zijn verblijf in Don Rodrigo's huis tevens een sprekend bewijs van hetgeen deze tegen de wetten vermocht, zoodat zijne macht hierdoor merkelijk was toegenomen, in de daad zoowel als in de publieke opinie.

„Griso," zeide Don Rodrigo, „nu zullen wij eens zien wat gij kunt. Voor dat de dag van morgen aanbreekt, moet die Lucia op dit kasteel zijn."

„Nooit zal iemand zeggen dat Griso niet voldaan heeft aan het bevel van zijn doorluchtigen heer."

„Neem zooveel volk als gij noodig oordeelt, beveel en beschik zooals het u goeddunkt. Maar pas vooral op dat haar geen leed geschiede."

„Een beetje schrik, edel heer, opdat zij niet te veel leven make ... minder kan men niet."

„Schrik... Ja, dat begrijp ik ... daar kan men niet buiten. Maar dat haar geen haar gekrenkt worde, en boven alles dat men haar eerbied betoone, in allen opzichte. Hebt gij 't verstaan ?"

Sluiten