Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toen hij er nu mede bekend was, was die nacht zelf al reeds zeer nabij, en eene kleine voorhoede van bravo's was reeds uitgemarcheerd, om post te vatten in dat half verbrande huis, boven door Griso vermeld. De arme grijsaard, hoezeer hij ook duidelijk inzag hoe gewaagd het spel was dat hij speelde, terwijl het buitendien nog zeer mogelijk was dat hij achter het net vischte, wilde toch doen wat in zijn vermogen was. Hij ging dus uit, onder het een of ander voorwendsel, liep, zoo schielijk zijne stramme beenen hem dit toelieten, naar het klooster en wist alzoo vader Cristoforo van alles te onderrichten. Kort na zijn vertrek braken ook de andere bravo's op, niet allen te gelijk, maar een voor een, of in zeer kleine troepjes, en op verschillende tijden, om geen achterdocht te wekken. Griso sloot den trein, en er ontbrak niets meer dan eene draagkoets, die eerst later naar het vervallen gebouw moest gebracht worden en toen ook werkelijk aldaar aankwam. Toen nu allen hier vereenigd waren, vaardigde Griso er drie af naar de herberg van het dorp. Een hunner moest aan de deur blijven staan, om het oog te houden op hetgeen op straat voorviel en het oogenblik waar te nemen, waarop alle dorpelingen zouden ter ruste gegaan zijn, de twee anderen moesten als een paar vroolijke gasten binnen spelen en drinken, om te bespieden en op te letten, indien daar wat te bespieden viel. Hij zelf bleef met het gros van de armee in het hoofdkwartier, om daar den tijd af te wachten voor de hoofdattaque bestemd.

De oude bediende draafde nog, de drie vedettes marcheeren naar hun post, toen Renzo met het ondergaan der zon in Agnes huisje trad, zeggende: „Tonio en Gervaso staan daar buiten gereed; ik ga met hen het avondmaal gebruiken in de herberg, en met den eersten slag van het ave Maria komen wij u afhalen. Kom, goeden moed, Lucia! Alles hangt af van één oogenblik." Lucia zuchtte en antwoordde: „O ja, goeden moed!" met eene stem, die juist het tegendeel beteekende.

Toen Renzo met zijne beide metgezellen aan de herberg kwam, vonden zij daar reeds dien zekeren persoon op schildwacht staan. Leunende tegen den post van de deur, met de armen over de borst geslagen, stond hij half binnen, half buiten, den ingang bijna geheel verstoppende, en met twee valkenoogen, die nu rechts dan links blikten, den weg aan beide kanten onophoudelijk beglurende. Een plat petje van rood fluweel, schuins op het hoofd gezet, bedekte de helft van eene kuif, die van het donkerbruine voorhoofd af in tweeën verdeeld en achterover gekamd, in den nek met een kam werd bijeengehouden. Behalve een zwaren knuppel, dien hij in de hand had, zag men niet dat hij wapenen droeg, maar uit zijn gelaat alleen zou een kind zelfs hebben opgemaakt, dat hij er onder zijne kleederen zoo vele verborgen had als hij maar dragen kon. Toen Renzo, die voor zijne vrienden uitging, hem naderde en wilde binnentreden, keek de bravo hem strak aan, zonder in het minst zijne houding te veranderen; en Renzo, bedacht om alle aanleiding tot verschil te vermijden zooals gewoonlijk ieder die eenige onderneming die juist niet volkomen in den haak is, op het oog heeft, zeide niet eens: „Mag ik eens voorbij," maar schoof langs den anderen deurpost in de schuinte met den eenen schouder vooruit de opening binnen, door die caryatide overgelaten. De twee vrienden moesten dezelfde evolutie maken, wilden zij binnenkomen. Binnengekomen zagen zij die twee anderen, wier stemmen zij reeds gehoord hadden, en die aan een tafeltje gezeten alla mora speelden, (dit was een spel, waarbij een der twee spelenden een getal moet uitroepen, dat overeen moet komen met het getal der vingers, door hemzelven en door den ander schielijk in de hoogte gehouden) beiden te gelijk om het hardst schreeuwende en beurtelings inschenkende uit eene groote flesch, die tusschen hen beide stond. Dit spelen belette hen*echter niet om de binnenkomenden terstond op te nemen; de eene vooral, die juist eene hand met drie grove wijd uiteenstaande vingers

Sluiten