is toegevoegd aan uw favorieten.

De verloofden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weinig voorovergebogen, om de vreemdelingen goed op te nemen. „Eerwaardige moeder, doorluchtige signora," zeide de gardiaan, in eene gebogene houding en met de rechterhand op de borst, „dit is dat arme meisje, voor welke uwe doorluchtigheid mij hare bescherming heeft doen hopen; en dit is de moeder."

De beide vrouwen maakten diepe neigingen. De signora wenkte haar dat het genoeg was, en antwoordde den vader: „Ik acht mij gelukkig iets te kunnen doen dat onzen goeden vrienden, den vaders kapucynen aangenaam is. Maar" vervolgde zij, „heb de goedheid mij het geval van dit meisje een weinig meer in bijzonderheden te verhalen, om daardoor des te beter te weten wat voor haar gedaan kan worden."

Lucia bloosde en zag voor zich.

„Gij moet weten, eerwaardige moeder ...begon Agnes, maar de gardiaan brak hare rede eensklaps door een wenk af, en antwoordde: „Dit meisje doorluchtige signora, is mij, zooals ik u verhaald heb, door een mijner confraters aanbevolen. Zij heeft haar dorp moeten verlaten, om zich aan groote gevaren te onttrekken; en zij heeft voor eenigen tijd een schuilplaats noodig, waar zij zich in t geheim zou kunnen ophouden, en waar niemand hare rust zou durven storen, zelfs dan, wanneer . . .

„Welke gevaren?" viel de signora hem in de rede. „Ik bid u, vader gardiaan spreek toch niet in zulke geheimzinnige bewoordingen. Uw eerwaarde weet wel dat wij, nonnen, de dingen gaarne wat in de bijzonderheden weten."

„Het zijn gevaren, antwoordde de gardiaan, „die voor de zuivere ooren der eerwaardige moeder nauwelijks met een enkel woord kunnen aangestipt worden."

„O, zeker! zeide de signora haastig, terwijl een zeer licht, nauwelijks merkbaar rood snel over hare bleeke wangen vloog. Was het schaamte? Die de even snel zich vertoonende en weder verdwijnende uitdrukking van ontevredenheid op zichzelve, die dezen voorbij vliegenden blos opvolgde, had opgemerkt, zou er aan hebben kunnen twijfelen, en vooral zoo hij dezen blos vergeleken had met dien welke van tijd tot tijd de wangen van Lucia bedekte.

„Het zij genoeg u te zeggen," hernam de gardiaan, „dat een zeer machtig

edelman niet alle grooten der aarde bedienen zich van de gaven, hun door

God verleend, te Zijner verheerlijking en ten nutte van den naaste, zooals uwe doorluchtigheid; een zeer machtig edelman dan, na dit schepseltje langen tijd op eene onbetamelijke wijze aangezocht te hebben, ziende dat hem dit niet baatte is eindelijk zoo ver gegaan dat hij haar openlijk met geweld vervolgd heeft' zoodat de arme ziel genoodzaakt geweest is haar huis te ontvluchten."

„Kom eens wat nader, kind!" zeide de signora tot Lucia, haar'tevens met den vinger wenkende. „Ik weet dat de vader gardiaan de tolk der waarheid is, maar niemand kan van die taak beter onderricht zijn dan gij zelve. Gij kunt ons zeggen of die edelman een hatelijke vervolger was."

Wat het naderen aanging, daaraan voldeed Lucia terstond, maar het antwoorden was eene andere zaak. Zulk eene vraag, al ware zij van een gelijke gekomen, zou haar in verlegenheid gebracht hebben, maar door zulk eene aanzienlijke vrouw en dan met een zeker voorkomen van spotachtigen twijfel gedaan, ontnam zij haar alle vrijmoedigheid tot spreken. „Signora ... moeder... eerwaardige .. stamelde zij, en kon het niet verder brengen. En nu meende Agnes, als de persoon, die na haar het best van de zaak moest onderricht zijn, genoegzaam gemachtigd te zijn om haar te hulp te komen. „Doorluchtige signora," zeide zij, „ik kan u naar waarheid betuigen dat deze mijne dochter dien edelman haatte, als de duivel het wijwater; dat is te zeggen, de duivel dat was hij. Maar uwe doorluchtigheid zal mij wel vergeven dat ik niet goed spreek, omdat wij maar gewone menschen zijn. Dat is waar dat dit arme kind verloofd was aan een jongen uit onzen stand, godvreezend en ordentelijk van gedrag; en zoo mijnheer