Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijver heeft niet kunnen te weten komen door hoeveel monden het geheim al gegaan was, dat Griso bevel had uit te vorschen, maar dat is zeker dat de goede man, door wien Agnes en Lucia naar Monza gebracht waren, 's avonds met zijn wagen te Pescarenico terugkomende, nog voor dat hij den drempel zijner woning betrad, een vertrouwden vriend ontmoette, wien hij, in de grootste geheimhouding, het goede werk dat hij verricht en de gevolgen die het gehad had mededeelde, en dat is ook zeker, dat twee uren daarna Griso Don Rodrigo kon berichten, dat Lucia met hare moeder de wijk genomen had in een klooster te Monza, en dat Kenzo op weg gegaan was naar Milaan.

Eene satanische vreugde doorstroomde het hart van Don Rodrigo op het vernemen van deze scheiding, en tevens gevoelde hij de duivelsche hoop, reeds bijna opgegeven, weder eenigermate aanwakkeren. Over de wijze waarop hij die verwezenlijken zou dacht hij bijna den geheelen nacht, en stond op met twee voornemens, het eene bepaald, het andere ter tafel gebracht en overwogen, maar nog niet tot volkomene rijpheid gebracht. Het eerste was, Griso terstond naar Monza te zenden, om nadere berichten omtrent Lucia in te winnen en te vernemen ot er iets, en wat er zou kunnen beproefd worden. De vertrouweling werd dus geroepen, de vier scudo's hem ter hand gesteld en hij buitendien hoogelijk geprezen over de behendigheid en de bekwaamheid, waardoor hij ze verdiend had • en na deze voorbereiding werd hem het zooeven vermelde bevel gegeven.

„Mijnheer...zeide Griso aarzelend.

„Wat ? Hebt gij mij niet verstaan ?"

„Indien uwe doorluchtigheid iemand anders wist...."

„Wat?"

. „Doorluchtigste heer! Ik ben bereid mijn kop te laten voor mijn meester: aat is mijn plicht; maar ik weet toch ook dat uwe doorluchtigheid zelve het leven zijner getrouwe dienaren niet te zeer wil in de waagschaal stellen."

„Welnu?"

„Uwe doorluchtigheid weet wel van die enkele vonnissen, die er tegen mij

geslagen zijn; en Hier ben ik onder bescherming van uwe doorluchtigheid.

Hier maken wij een troep uit; mijnheer de podesta is de vriend des huizes; de sbirren ontzien mij, en ik zelf ... het strekt mij juist niet tot eer, dat is waar, maar... om in rust en vrede te leven ... ik behandel hen als vrienden. Te Milaan is de livrei van uwe doorluchtigheid bekend ; maar te Monza . .. daar ben ik integendeel bekend. En weet uw doorluchtigheid wel (ik zeg het niet om er mij op te beroemen), dat die mij aan de justitie kon overleveren, levend of dood, eene mooie vangst zou doen? Honderd scudo's, zoo zeker als ik Griso neet, en de vrijheid van twee bandieten."

„Wat duivel?" zeide Don Rodrigo. „Nu zie ik wel dat het met u veel geschreeuw maar weinig wol is."

„Ik geloof, mijnheer en patroon, dat ik bewezen heb . . ."

„Nu, derhalve 1"

„Derhalve, riep nu op eens Griso uit, wiens eerzucht door deze uittarting was opgewekt, „derhalve, ik heb geen woord gezegd. Moedig als een leeuw en vlug als een haas: ik ben bereid, ik ga."

„Maar ik heb ook niet gezegd dat gij alleen zoudt gaan. Neem er twee van de knapsten mee .... Sfregiato en Tiradritto, en dan flink op weg en toon dat gij Griso zijt. Wat duivel! Wie zou God niet danken als hij drie zulke gezichten op weg tegenkwam en ze stilletjes zag voorbijschuiven. Den sbirren van Monza zou het leven wel moeten vervelen, als zij trek hadden om het voor honderd scudo s aan zulk een kans te wagen. En dan geloof ik ook nog niet dat ik daar juist zoo onbekend ben, dat men niet wel een beetje ontzag zou hebben voor mijn livrei."

Sluiten